Wetenschap en rekenschap - pagina 17
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE VRIJE UNIVERSITEIT ALS BIJZONDERE INSTELLING 1880-1980
orthodoxie. Zij liet de kerk, zoals dr Berkhof het eens uitdrukte, gelijk zij was,
namelijk een kerk, die geen boodschap meer had en geen geestelijk gezag meer
oefende (Roelink, 1955). Een oplossing hiervoor had uiteraard gevonden kunnen
worden door de stichting van kerkelijke seminaries, maar dat achtte Kuyper
ongenoegzaam: zijn gedachten hadden een bredere zwaai genomen. Reeds in 1872
had hij betoogd, dat de kerk het niet zonder de wetenschap kon stellen om de
maatschappij voor Christus te winnen. Daarom kon de opleiding voor predikanten
het beste plaats vinden aan nationale hogescholen. Wanneer echter de daar
beoefende wetenschap zich niet liet verenigen met de dienst aan en het leven uit
Christus, moest de kerk een eigen universiteit oprichten, alle vakken van weten-
schap omvattend, en de eenheid tussen die wetenschappen beschermend door het
geestelijk initiatief, dat ze in het leven riep. Daarop zouden de geesten zich moeten
richten. Uit deze stellingname leidde hij vervolgens een nieuw bestel van het hoger
onderwijs af: naast de openbare rijksuniversiteiten zouden een tweetal bijzondere
universiteiten moeten worden opgericht ,,. .. als levenscentrum van de twee
groote elementen der natie", namelijk een protestantse te Utrecht en een
rooms-katholieke te 's Hertogenbosch. Deze twee zouden dan vrije universiteiten
moeten zijn.
Een vraag was uiteraard op welke protestantse basis de protestantse universiteit
zou moeten rusten: immers, het protestantisme was ook toen zeer pluriform. Wat
Kuyper oorspronkelijk voor ogen stond was een christelijke universiteit, uitgaande
van „de hervormde Christenheid in ons vaderland en te stichten door de kerk of,
liever nog, door „mannen van Christelijke professie", d.w.z. door mannen van de
gehele toenmalige orthodoxie met alle schakeringen van haar overrijke kleuren-
gamma, zoals Smitskamp het uitdrukte. Kortom: Kuyper streefde naar een pro-
testants-christelijke universiteit zonder nadere aanduiding van enige denominatie.
En zulk een universiteit diende vrij te zijn. Vrij van twee instituten: namelijk de
overheid en de kerk. En dit laatste woog bij hem niet minder zwaar dan het eerste.
Deze vrijheden fundeerde hij op het leerstuk van de souvereiniteit in eigen kring,
door hem zelf als „het fundamentele leerstuk" van het calvinisme gekwalificeerd.
God heeft, volgens dit leerstuk, aan elke „kring" in onze samenleving zijn eigen
wetten en ordinantiën gegeven. Ook het gebied der wetenschap is een kring met
een eigen levenswet, zij het ook onder de souvereiniteit van Christus. Want er is
geen duimbreed gronds, waarvan Christus niet zegt: het is mijn. Op grond van dit
grondbeginsel verdedigde hij dan ook in zijn openingsrede op 20 oktober het
bestaansrecht van de Vrije Universiteit.
Maar de Vrije Universiteit, die zich op die dag in het openbaar presenteerde, was
in een bepaald opzicht een andere dan Kuyper aanvankelijk voor ogen had
gestaan. De brede orthodoxe basis, die hij aanvankelijk gewild had, was geen
werkelijkheid geworden. Zo hadden de ethischen afstand genomen. Vanwege
allerlei gebeurtenissen en factoren van onderscheiden aard, waaronder ook per-
soonlijke, was er op een zeker ogenblik een onherstelbare breuk ontstaan tussen de
13
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's