Wetenschap en rekenschap - pagina 144
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
I A DIEPENHORST
van Struycken en P.S. Gerbrandy wilde Okma de taak van de burgerlijke rechter
verruimen, maar de praktijk zou een andere weg kiezen. Het oeuvre was weinig
omvangrijk, ofschoon er niet enkel gewekte, integendeel ook ingeloste beloften
waren.
Okma moest een affabel man heten, die geweldig voor zich kon innemen; als hij
wilde was hij moeilijk te weerstaan, een wonderlijke aantrekkelijkheid uitstralend.
Hij bezat ook een ruime mate van wijsheid, die hij vervat vaak in enige humor met
rustige verzekerdheid bracht. Hoe vreemd ook: hij kon, in zijn laatste levensjaren
waarschijnlijk veel erger dan buitenstaanders merkten, gehinderd door zijn slo-
pende kwaal, tegelijk afstoten, hard zijn, van anderen het bijna onmogelijke
vergen, een eigenzinnige houding aannemen en heftig uitvallen, geheel aan een
voor buitenstaanders grillig handelen toegevend. Echter, al ontbrak de harmonie,
hij heeft velen geboeid en de faculteit binnenskamers bemiddelend en op lande-
lijke juridische bijeenkomsten met gezag vertegenwoordigend mee gebouwd.
W.F. de Gaay Fortman (1911) was na zijn studie in de rechten aan de Vrije
Universiteit in 1936 gepromoveerd over De onderneming in het arbeidsrecht. Hij
aanvaardde een departementale carrière beëindigend, zijn jongere tijdgenoten te
hulp komend, het ambt met een rede over Herziening van het echtscheidingsrecht
in 1947. Hij was rector magnificus in 1962/1963 en zijn rectorale oratie handelde
over Het geheim van het recht. Hij trad opnieuw als rector op in de jaren 1965-1972.
Van 1973 tot 1977 beheerde hij in het kabinet Den Uyl het departement van
Binnenlandse Zaken. Voordien was hij wel voor een portefeuille aangezocht (in
1948), belast met de formatie van een ministerie (1958), of ook gevraagd om een
gouvernementele breuk te helen (1960). Hij was lid van de Sociaal Economische
Raad en van de Eerste Kamer, dit laatste gedurende de periode 1960-1973 en
sedert 1977. In 1965 was hij lid van de Europese Commissie voor de Rechten van
de Mens. Ook heeft hij deel uitgemaakt van het Europees Parlement (1977-1979).
Geheel afzonderlijk van dit alles staat het Kamerheerschap in buitengewone
dienst van Hare Majesteit de Koningin, staat de grote activiteit ten behoeve der
christelijke sociale beweging ontwikkeld, een hoogtepunt in het presideren van het
derde Christelijk sociaal congres vindend (1948); staat de steun aan de oecumene
der kerken uit de overtuiging dat zij ten diepste één zijn. Volledigheidshalve zij
vermeld, dat het afscheidscollege in 1979 gegeven werd, het feitelijk verlaten van
de faculteit in 1973 bezegelend, over Rechtsstaat en terrorisme.
Niet enkel de veelzijdigheid van wat gedaan werd, ook de zelfstandigheid die erbij
betracht werd trekt de aandacht. De natuurlijke aanleg was ongetwijfeld — hoe
zou het anders bij iemand, die zich aan het Réveil verwant voelde — individualis-
tisch; het innemen van een uitzonderingspositie druiste niet tegen de eigen aard in.
Aan sommige andersdenkenden werd op geestverwanten prikkelende wijze een
hommage gebracht. Het soms uitdagend kiezen voor een bepaalde mening
strookte met een markant, een tikje eruptief karakter. Het duidelijk openstaan
voor anderen werd in het besef van een enkele door bepaalde wat patricisch
140
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's