Wetenschap en rekenschap - pagina 127
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE J U R I D I S C H E FACULTEIT (1880-1980)
morele, de sociale en de goddelijke onderscheiden. Ze stond ten dienste van het
geordend samenleven en werd bepaald door de concrete mogelijkheden van dat
samenleven. Haar met de handhaving van de eeuwige rechtsorde in verband te
brengen, alsof het goddelijk recht niet de grenzen van het menselijk kennen te
buiten ging, was verkeerd. Al evenzeer leidde op een fout spoor de overheid te
laten straffen, omdat in de aantasting van de staatswetten de daarin gebrekkig
vervatte justitia Dei werd geschonden, of omdat de misdadiger zedelijke schuld op
zich laadde ten opzichte waarvan het fiat justitia, pereat mundus gold.
Hiertegenover schoof Zevenbergen het publiek welzijn, de bij Thomas en Calvijn
aangetroffen salus rei publicae naar voren. Aan de door de overheid gehanteerde
straffen stelde hij een aantal eisen. Ze moesten zijn humaan, zedelijk, gelijkmatig,
persoonlijk, individualiserend, deelbaar, commensurabel, oftewel vergelijkbaar
en herstelbaar, bovendien niet te kostbaar. Aan de twee voorlaatste criteria vol-
deed de doodstraf geenszins, dus dwingend moest zij niet worden voorgeschreven.
Voor de opschudding onder de achterban was dit beslissend; de Schrift zou naar
geijkte uitleg de doodstraf verlangen bij levensberoving. Toch was de kern der
beschouwing, te weten het erkennen van de afstand die goddelijke gerechtigheid
en menselijk recht scheidt goed verdedigbaar, al leek het misschien dat de band te
radicaal was gekapt. Zij die gesteld waren op sluitend principiële opvattingen
konden in de Formeele encyclopaedie meer van hun kritische gading vinden; mijn
woordkeus is veelzeggend. Ondertussen blijkt ook in dit boek dat Zevenbergen er
niet aan dacht naar de idee het goddelijk karakter van het recht te ontkennen; aan
het bestaan van een metafysisch recht twijfelde hij nimmer. Het was hem alleen
onmogelijk er iets naders over te zeggen. Een Openbaring van die ordeningen als
een afgesloten geheel was niet aanwijsbaar. Erkend werd dat ons iets uit dit eeuwig
recht was meegedeeld, maar de reeds genoemde Openbaring gaf ons niet een
gedekte tafel. Om het geheel in zijn eigen terminologie uit te drukken: kennis was
een voortschrijdend proces, onze rede bevond zich voortdurend op reis. Er waren
wel onwrikbaar vaststaande beginselen, maar zij sloegen volgens Zevenbergen op
een concrete stand van zaken, zo de monogamie bij het huwelijk. Voor de chris-
ten-jurist was de grote moeilijkheid het bestaan van talloze rechtsverhoudingen,
die om een doelmatige regeling en om kritiek op de al of niet geoorloofdheid van
hun doel vroegen. Daar ons niet was gegeven een rechtsidee steunend op Gods
gedachten te vinden zou deze steeds formeel kritisch van inhoud blijven, zonder
materiële inhoud.
Iemand zal zeggen dat geen echte oplossing werd geboden en dus terecht het
gevoel van teleurstelling resteert. Ik denk, dat men zo besluitend niet verrekent
hoe Zevenbergen ondanks een schielijk afgebroken leven in kleine kring een bron
van inspiratie is geweest, hoe zijn geschriften nog steeds tot hernieuwde bezinning
aanzetten en hoe hij de man is geweest, die ernst makend met de vrijheid der
christelijke wetenschap voor zijn deel tot het slaken van onnatuurlijke banden
heeft bijgedragen.
123
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's