Wetenschap en rekenschap - pagina 271
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
BIOLOGIE
Steeds echter blijken de gegevens en de argumenten de toets der kritiek niet te
kunnen doorstaan. En na alles nog eens samenvattend op een rijtje gezet te hebben
volgt dan ook de conclusie: „daar staan we niet meer voor een theorie, noch voor
een hypothese, maar voor een wezenlijk Evolutie-dogma. Een dogma dat ik
daarom als pseudo-dogma brandmerkte, omdat de autoriteit die het dogma stellen
kan, op wetenschappelijk erf ten enenmale ontbreekt".'*
2.3. Schepping en evolutie
Bij de radicale afwijzing van het evolutie-dogma blijft het echter niet. Wanneer
men de rede goed leest krijgt men sterk de indruk dat Kuyper zag dat er in deze
nieuwe ontwikkelingen op biologisch gebied elementen zaten die waardevol wa-
ren en tevens dat in christelijke kring een nieuwe, voor de wetenschap meer
openstaande, visie op de schepping noodzakelijk was. Wij kwamen reeds zijn
opmerkingen tegen over de gangbare „mystiek-toverachtige idee van het ontstaan
der dingen, waaraan alle diepere opvatting ontbrak" en het „oppervlakkig wan-
begrip van het wortelloze supranaturalisme".
Maar er is meer: „Vraagt ge, of we deswege de studiën der Darwinistische school,
deze nu in haar breedste opvatting genomen, als waardeloos van de balans onzer
wetenschappelijke aanwinst hebben af te voeren, zij dan mijn bescheid in de
wedervraag, of wèl geconstateerde feiten zich ooit laten amortiseren. Veeleer
roemt elk wie het licht mint, in de weelde van feiten door die studiën aan het licht
gekomen en in de aandrift tot steeds dieper, meer methodisch onderzoek die er van
uitging. En wie onzer, die nog voor geestdrift ontvlambaar is, verheelt zich de
verrukking die hem vaak aangreep, bij de zoveel diepere blik die ons, dank zij deze
studiën, in de structuur der wezenswereld gegund werd. Alleen maar de kennis
dier ontsluierde feiten en het Evolutie-dogma, dat er valselijk uit gedistilleerd
werd, mogen daarom nog niet vereenzelvigd worden. De empirie en de daarop
gebouwde theorie zijn ook hier scherp te onderscheiden".'"
Verderop stelt Kuyper ronduit de vraag aan de orde of schepping en evolutie
/7n«a/?!ee/onverenigbaar zijn en zijn antwoord is duidelijk: ,,Een geheel ander is
natuurlijk h e t . . . vraagstuk, of de Religie, als zodanig, een spontane ontplooiing
van de soorten in het organische leven uit de cytode of kerncel toelaat. Die vraag
toch moet zonder voorbehoud in bevestigende zin beantwoord worden. Niet onze
stijl zullen we aan de Opperste Bouwmeester van het Heelal opdringen. Mits Hij,
niet in schijn, doch in wezen de Bouwmeester blijve, is Hij ook in de keuze van de
bouwstijl de Vrijmachtige. Had het dus God beliefd niet zelf soorten te scheppen,
maar soort uit soort te doen opkomen, doordat Hij de voorafgaande soort op de
productie van de hoger volgende had aangelegd, de Schepping zou er even won-
derbaar om zijn. Alleen maar dit zou nooit de Evolutie van het Darwinisme
geweest zijn, want het vooruitgestelde Zweck ware dan niet uitgebannen, maar
alb^heersend geweest, en niet de wereld had dan zichzelf mechanisch, maar God
267
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's