Wetenschap en rekenschap - pagina 81
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR T H E O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
noodzakelijk deze organische opvatting, die nog niet af is, consequent toe te
passen. Zo vertoonde het debat tussen hem en zijn tegenstanders het karakter van
een strijd om de erfenis van de grote voortrekkers. De opponenten betoogden, dat
„organisch" op geen enkele manier in mindering mag komen op „historisch". Hun
visie zegevierde op de zojuist genoemde synode.^^
De beslissingen van Assen grepen diep in het leven van de V.U. in. Verschillende
hoogleraren aan andere faculteiten kozen de zijde van Geelkerken en werden lid
van de gereformeerde kerken in Hersteld Verband. De hoogleraren van de theo-
logische faculteit wezen de zienswijze van Geelkerken af. Als pre-adviseurs ter
synode hadden zij een werkzaam aandeel in de totstandkoming van de beslissin-
gen van de synode. Hun standpunt was, dat de eventuele bijzondere aard van de
geschiedschrijving in Genesis 2 en 3 geen „relativerende" consequenties mocht
hebben voor de waardering van de geschiedenis zélf. De in Genesis 3 berichte
geschiedenis is geschiedenis in de gewone zin van het woord. G.Ch Aalders bracht
het aldus onder woorden: ,,Een slang is een slang, spreken is spreken, boomen zijn
boomen.""
In het kader van deze bijdrage over de wetenschapsgeschiedenis van de theologi-
sche faculteit moet de ,,zaak-Geelkerken" vermeld worden, omdat zij in de tijd
daarna de aanpak van hermeneutische en exegetische vragen heel duidelijk bleef
beïnvloeden. Wie b.v. de publicaties van Grosheide en Aalders rondom en na 1926
leest, bemerkt, hoe zij meer dan daarvoor het begrip organische inspiratie van
allerlei „zekeringen" voorzagen en het spreken over bijbelse en oosterse ge-
schiedschrijving met reserves omringden, terwijl zij na dat jaar ook kritiek gingen
oefenen op de idee van een „bijbels wereldbeeld", dat van ons wereldbeeld
onderscheiden en derhalve niet meer normatief zou zijn.^" Alles wat de historiciteit
in gevaar scheen te kunnen brengen, diende te worden vermeden.
Zo had Assen een zekere „verenging" ten gevolge, die lang zou blijven doorwer-
ken. Ongetwijfeld is in de periode na 1926 ook op het gebied van de exegese veel
tot stand gebracht. De exegeten van de V.U. waren zeer produktief. Samen met de
vakcollega's van Kampen, J.Ridderbos en S.Greijdanus, de utrechtse orthodoxe
exegeten J.A.C, van Leeuwen en A. Noordtzij en nog verschillende andere vak-
mensen schreven zij vele commentaren van wetenschappelijke en populaire aard.
Daardoor hebben zij materiaal verschaft voor de toerusting van het gereformeerde
volksdeel, waarvoor thans nog het grootste respect past. Maar in de uitwerking van
de conceptie van de organische inspiratie kwamen zij niet boven Kuyper en
Bavinck uit en op bepaalde punten bleven ze bij hen — zeker bij Bavinck — ten
achter.
De in 1926 aan de V.U. benoemde J. Waterink (1890-1966) kreeg ook binnen de
theologische faculteit een leeropdracht, n.1. voor catechese. In verschillend opzicht
was Waterink een progressieve figuur. Zijn in 1923 onder Aalders verdedigde
dissertatie over plaats en methode der ambtelijke vakken is de eerste nederlandse
publicatie op het gebied van de praktische theologie, waarin een stukje veldon-
77
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's