Wetenschap en rekenschap - pagina 509
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE PSYCHOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
een formele status bezit en qua inhoud geheel verschillende betekenissen kan
krijgen. Het kan behavioristisch geïnterpreteerd worden als bewegingen van een
organisme in tijd en ruimte (Huil), maar ook op de manier waarop Fokkema,
Boekestijn en De Wit dat deden. De eerstgenoemde merkte op dat „het gedrags-
concept vooronderstelt een altijd aanwezige — zij het soms een zeer geringe —
activiteit van de menselijke individualiteit. De mens kan in psychologisch opzicht
niet gezien worden als de foto-cel, waarop „lichtprikkels" inwerken — ook niet als
hij „slechts" waarneemt" (1960, p. 6). De Wit liet zich in dezelfde geest uit door te
stellen: „de gedachte dat activiteit inherent is aan het leven zelf, heeft conse-
quenties voor de wijze waarop de exteroceptieve stimulatie moet worden be-
schouwd. Zij is modulerend, niet initiërend" (1962, p. 13). Ook Boekestijn's keuze
van het zelf-concept als thema voor zijn openbare les en zijn verwijzingen naar
Lewin en Heider, geven wel aan dat het gehanteerde gedragsconcept veelmeer
cognitief dan behavioristisch geduid werd (zie ook 3.1).
Dit methodologische moment treffen wij opnieuw aan als wij tenslotte naar het
derde punt van kritiek gaan, namelijk het vermeende gebrek aan praktische en
maatschappelijke relevantie van de psychologie in de jaren zestig. Want ook hier
geldt dat de „Rückzug" van de praktijkpsychologen naar het laboratorium en het
gaandeweg binnendringen van uiterst abstracte begrippen als codering, lange-
termijn geheugen en opslagmechanismen op een terrein als de klinische psycho-
logie (Cassee, 1969) veel meer te maken hadden met het inzicht da* de weten-
schappelijke basis voor de toegepaste basis nog te wankel was, dan met een
behavioristische neiging om de traditionele „mentalistische" begrippen in de
psychologie te vertalen in termen van gedragingen. En wanneer men dit al deed,
dan was dit om meer helderheid en houvast te krijgen op de betekenis van
gangbare, maar slecht gedefinieerde psychologische begrippen als identificatie,
ik-sterkte e.d., teneinde langs die weg te proberen de theoretische bouwsels waarin
zij voorkwamen te verankeren in de empirie.
Samenvattend kan daarom gesteld worden dat er maar weinig ruimte is voor de
stelling dat de psychologie-beoefening aan de V.U. in de jaren zestig behavioris-
tisch of positivistisch van aard was. Wat uit de Amerikaanse psychologie overge-
nomen werd waren methodische regels, zonder veel besef van de daarachter
schuilende methodologieën. En omdat één van deze regels luidde dat de empiri-
sche basis van de psychologie gelegen was in de gedragingen van mensen, nam het
gedragsconcept de plaats in van termen als zieleleven of het persoonlijk wezenlij-
ke. Maar dat het cognitief interpreteren van dit concept zich wel eens niet zou
kunnen verdragen met de ingevoerde methodische regels, dat was een punt
waarvan men zich pas in de jaren zeventig bewust zou worden.
503
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's