Wetenschap en rekenschap - pagina 82
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J VEENHOF
derzoek is verwerkt.^'Waterink werd daarbij geleid door het thans algemeen aan-
vaarde inzicht, dat in de beoefening van de praktische theologie het honoreren van
empirische gegevens een wezenlijke plaats dient te ontvangen. In zijn colleges over
catechetiek, waarin veel ervaringen uit de praktijk werden doorgegeven, besteedde
Waterink o.a. aandacht aan de religieuze volkskunde, waarbij hij de samenhang
van religieuze beleving en volksaard liet zien.
De komst van Waterink bracht echter geen verandering in het theologisch profiel
van de faculteit. Als geheel was dit van traditionalisme niet vrij te pleiten. Men was
er vooral op uit de eigen theologische positiekeuze te verdedigen tegenover stro-
mingen van buiten en van binnen, die met de eigen traditie niet in overeenstem-
ming waren. Naar buiten toe zette men zich aftegen de jongere ethischen en tegen
Geelkerken. Karl Barth wiens theologie van de crisis haaks stond op de gerefor-
meerde zekerheden en verworvenheden raakte de mannen van de faculteit niet
wezenlijk. Van hen gold, althans tot ca. 1930, wat van de gereformeerden in het
algemeen gezegd is: „Zij zagen er wel veel crisis maar weinig heil in en vonden de
door deze theologie veroorzaakte aardverschuivingen wellicht goed en nodig
voor anderen, maar niet voor zichzelf."^^ Later kwam het tot een duidelijke afwij-
zing."
Naar binnen toe verzette men zich tegen de twee vernieuwingsbewegingen, die
zich in de gereformeerde wereld zelf gingen aftekenen en die niet op verzwakking,
maar veeleer op zuivering en radicalisering van de gereformeerde leer bedacht
waren. De wijsbegeerte der wetsidee wilde het gereformeerde gedachtengoed
ontdoen van scholastieke elementen en kritiseerde o.a. de door Bavinck, Geesink
en Hepp verdedigde traditionele anthropologic met haar dualisme van lichaam en
ziel. Naast haar trad naar voren de creatieve Kamper dogmaticus K. Schilder, die
zijn kritiek vooral richtte op Kuyper's ideeën ten aanzien van de gemene gratie en
de pluriformiteit der kerk.
Op een aantal theologische studenten oefende met name de eerste vernieuwings-
beweging aantrekkingskracht uit. Sterk was de invloed, die uitging van de predi-
king van de amsterdamse predikant S.G. de Graaf, die zowel met de voormannen
van de Wijsbegeerte der Wetsidee als met Schilder in relatie stond. De leden van
de faculteit namen echter tegenover deze dubbele vernieuwingsbeweging een
afwijzende houding aan. Hepp publiceerde zelfs vier brochures met de veel-
zeggende titel „Dreigende deformatie", waarin hij de door Vollenhoven en
Schilder gelanceerde kritiek op de neo-calvinistische traditie trachtte te ontzenu-
wen.^*
Deze afweer naar buiten en naar binnen toe had een nadelige uitwerking. De
economische historicus van de V.U., W.J.Wieringa, merkt scherp maar niet onjuist
op: „In wat nog altijd de voornaamste faculteit was, de theologische, zat weinig
voortgang. De vaart, die Kuyper aan de theologie had weten te geven, was er uit.
Dat was voor de rest der universiteit niet zonder betekenis, want van oudsher had
men de theologische faculteit als de wegwijzer voor de andere faculteiten be-
schouwd. Maar van de theologische faculteit kwamen geen nieuwe prikkelingen
78
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's