Wetenschap en rekenschap - pagina 468
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
G KUIPER HZN
lijkbaars kan de sociologische grand theory niet. „Niet-triviale voorspellingen zijn
alleen op grond van theoretisch werk te formuleren en niet op grond van louter
empirische exploraties."(p-5) De betekenis van een dergelijke vaststelling komt
later nog ter sprake. Hier volstaat te constateren dat Merton dan wel met het
badwater van de high range theory ook het kind van een wetenschappelijk refe-
rentiekader weggooit, dat immers als reminder kan dienen, als „controlestaat" bij
de wetenschappelijke bezigheid. Het is hier niet de plaats daarvoor, maar dat kan
bij Merton ook zeker worden aangetoond.
Merton die onbetwist tot de grote sociologen van onze tijd behoort, dankt zijn
faam derhalve niet aan een alles omvattend systeem, maar aan zijn theorieën op
middelbaar abstractieniveau. Men zou ze ook modellen kunnen noemen, consis-
tente gehelen van begrippen (evenals wetenschappelijke referentiekaders), be-
trekking hebbend op een deel van de werkelijkheid (sociale instituties, processen
e.d.). Merton heeft b.v. een boeiend anomiemodel gegeven en een model voor
functionele analyse. En zo hebben anderen stratificatiemodellen, organisatiemo-
dellen, modellen van sociale mobiliteit en vele andere meer gegeven. Inderdaad is
het middelbaar abstractieniveau tot dusver het meest vruchtbare gebleken.^' De
„groten" in het vak hebben hun faam juist daar verworven.
Op een laag abstractieniveau bevindt zich het symbolisch interactionisme dat
grote bloei bereikte in de jaren zeventig, hoewel de grondslagen ertoe door H.G.
Mead al gelegd werden aan het eind der jaren twintig. Daarom zal aan hem op de
daarvoor bestemde plaats aandacht worden geschonken. Stellig geïnspireerd door
de economie is het met name G.C. Homans (geb. 1910) geweest die de ruiltheorie
heeft geformuleerd, welke later door P.M. Blau (Exchange and Power in social life,
1964) verder werd uitgewerkt. In zijn „Social Behavior. Its elementary Forms"
(1961) geeft Homans de grondslagen voor de ruiltheorie: voor wat, hoort wat. Op
elke handeling wordt een tegenhandeling verwacht. Daarbij wordt door de actors
de waarde van handeling en tegenhandeling steeds in het oog gehouden. Men
probeert te vermijden dat men bij de ander in de „schuld" staat en tracht daaren-
tegen juist de ander in de schuldpositie te brengen, zodat men wat terug te
vorderen heeft. Iemand verdedigt de daden van iemand anders m een gezelschap
(ook als hij het daarmee niet erg eens is) in de stellige verwachting dat die ander
hem (te zijner tijd, bij gelegenheid, indien noodzakelijk etc.) ook zal helpen. Hierin
spelen de waarde, de hoeveelheid, kwaliteit, frequentie e.d. een grote rol. Onder-
ling hangen die ook weer samen: geringe hoeveelheid, dus exclusiviteit verhoogt
de waarde etc. Bij Homans heeft dit alles nog enigermate de smaak van de
geconditioneerde reflex, bij Blau wordt de ruiltheorie uitgewerkt voor meso- en
zelfs enigermate voor macroverschijnselen. Daarbij zijn de „emergent properties"
erg belangrijk; dat zijn eigenschappen die niet voortvloeien uit de oorspronkelijke
elementen van de ruilverhouding, maar die juist ontstaan dóór of uit die ruilver-
houding, b.v. macht. Iemand kan zo veel aardige dingen voor een ander hebben
gedaan dat deze die nooit zal kunnen „teruggeven", waardoor die iemand een
blijvende claim heeft op de ander en die ander machtsonderworpen wordt aan de
462
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's