Wetenschap en rekenschap - pagina 249
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
N A T U U R K U N D E EN S C H E I K U N D E
werk. Op de jaarvergadering van de Vereniging spreekt J. Coops over „Christelijke
Natuurwetenschap". Hij stelt dat elke natuurwetenschap een filosofische grond
slag heeft door de keuze van zekere uitgangsstellingen of principes. Hij noemt deze
op en zegt, dat ze zo gekozen moeten worden, dat „geen van deze grondstellingen
in strijd zal zijn met wat door God en de Heilige Schrift geopenbaard is". „Chris
telijk" is deze natuurwetenschap, omdat ze, behalve op menselijke onderstellin
gen, gebaseerd is op de door God in Zijn Woord geopenbaarde Waarheid. Uit dit,
in overeenstemming met de traditie geformuleerd uitgangspunt blijkt nergens
bezorgdheid over de vragen aangaande de vorm waarin de openbaring tot ons
komt. De contemporaine ontwikkeling stelde ook toen reeds vragen over de
afhankelijkheid van de vertaling, van de ontstaansgeschiedenis van de bijbelboe
ken en van de mogelijkheid hun oorspronkelijke betekenis te reconstrueren.
Uit de inaugurele oraties van J. Coops'^ en G.J. Sizoo'^ blijkt dat ze uitgaan van de
resultaten zoals zij in scheikunde en natuurkunde door hun vakgenoten zijn
gevonden. Zij behoren tot de derde van in 3.1. genoemde groepen. Het ontbreekt
echter niet aan kritiek op de gangbare natuurfilosofie. Het is van belang om deze
natuurfilosofie kort aan te duiden.
De vaak onbewust aanvaarde natuurfilosofische achtergrond van de natuurwe
tenschappen werd al zeer lang bepaald door het positivisme. Zonder dat men de
historische ideeën van Comte over de vooruitgang van de wetenschap deelde, was
men algemeen van opvatting dat de natuurwetenschappen, als positieve weten
schappen nauwkeurig onderzoeken hoe het nu feitelijk in de werkelijkheid toe
gaat. Een bijdrage van algemeen filosofische of metafysische beschouwingen
achtte men onnodig en ongewenst. Volgens de positivistische kennistheorie zijn
alleen de positieve wetenschappen échte wetenschappen, die betrouwbaar feiten
materiaal opleveren op grond van hun experimentele methoden. De breuk tussen
de filosofie en de natuurwetenschappen die hier het gevolg van was, werd wèl
betreurd, getuige het optreden van de zgn. „Wiener Kreis" omstreeks 1920, maar
was voor de praktische beoefening van het vak een onloochenbaar feit. Hierbij
speelde een historisch misverstand over het ontstaan van de relativiteitstheorie, die
voortgekomen zou zijn uit positivistische overwegingen, nl. de afschaffing van het
etherbegrip door Einstein, een rol.
In deze context treedt de natuurwetenschap op als een autonome wetenschap, die
losstaat van de filosofische, geestelijke en religieuze cultuurgemeenschap en haar
eigen weg gaat. Deze opvattingen vinden helaas in de werksfeer van de natuur
wetenschappelijke onderzoekers een vanzelfsprekende weerklank. Men kan de
natuurwetenschappelijke methoden toepassen, en daarvoor bestaan uiterst precies
geformuleerde regels, en de resultaten vinden, die intermenselijk te controleren
zijn, zonder zich druk te maken over de zin en waarde van deze resultaten. Deze
afilosofische houding van de beoefenaars van de natuurwetenschappen wordt
bovendien bevorderd door een sterk ontwikkeld specialistisch denken èn door de
voortschrijding van een areligieuze levensbeschouwing.
Vooral G.J. Sizoo heeft in de eerste 10 jaren in een reeks van redevoeringen en
245
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's