Wetenschap en rekenschap - pagina 311
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE AARDWETENSCHAPPEN AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
DE WETENSCHAPSBEOEFENING NAAR DE VAKGEBIEDEN
Inleiding
Met het bovenstaande zijn in grote lijnen de organisatorische, wetenschappelijke
en overige kaders aangegeven waarbinnen de wetenschapsbeoefening in de aard-
wetenschappen aan de Vrije Universiteit zich in de jaren'60 tot '80 moest ontwik-
kelen. Ter inleiding op een korte beschrijving van de wetenschapsbeoefening in de
verschillende vakgebieden mogen enkele algemene opmerkingen gemaakt wor-
den over de eigen wijze van wetenschapsbeoefening binnen de betrokken vakge-
bieden aan de Nederlandse universiteiten.
De geologische en fysisch geografische wetenschappen zijn natuurwetenschappen
waarin het experiment slechts een zeer beperkte rol speelt. In de geologie bestu-
deert men de gehele aardkorst naar samenstelling, structuur en wordingsgeschie-
denis; in de fysische geografie bestudeert men specifiek de natuurlijke gesteldheid
van het aardoppervlak en de onmiddellijke omgeving daarvan, waar fysische,
chemische, biogene en anthropogene factoren en processen in onderlinge inter-
actie werkzaam zijn en het zijn vorm hebben gegeven. Het object van weten-
schappelijk onderzoek zijn de buitenkant en de buitenste schil van de aarde zelf
naar geografische en geologische gezichtspunten. Het wetenschappelijk bezig zijn
begint dan ook met het maken van een wetenschappelijke beschrijving van aard-
oppervlak en aardkorst.
De laboratoria in de geologische en geografische instituten zijn dan ook in het
algemeen geen experimenteerplaatsen, maar verschaffen faciliteiten ten behoeve
van bewerking en analyse van uit het veld meegebrachte gesteente-, bodem- en
watermonsters, mineralen en fossielen. Het eigenlijke onderzoekterrein is in let-
terlijke zin onderzoek/e/"A-e/rt; namelijk het veld waar veldgegevens moeten worden
verzameld en in kaart gebracht en vanwaar de veldmonsters voor nadere analyse
naar het laboratorium moeten worden gebracht. De aard van geologisch onder-
zoek brengt bovendien vaak mee dat grote hoeveelheden gegevens over grote
oppervlakten verzameld moeten worden, wil een betrouwbaar inzicht kunnen
worden verkregen in complexe structuren, die in massa, ruimte en tijd zoveel
grotere dimensies hebben dan experimentele opstellingen in laboratoria.
Het meeste veldwerk vindt plaats in de zomermaanden. De tijd die een universi-
taire onderzoeker tijdens deze maanden beschikbaar heeft voor het eigenlijke
onderzoek is in belangrijke mate ingeperkt doordat hij tijdens die maanden ook
meestal een onderwijstaak in het veld heeft, zowel voor jongere als voor oudere
studenten. Het is om deze redenen dat universitair onderzoek op een groot deel
van de geologische en fysisch geografische gebieden slechts kan worden uitge-
voerd met inschakeling van ouderejaars studenten, die aldus in het kader van hun
doctoraalstudie een stuk onderwijs-gebonden onderzoek meemaken.
Een vergelijkbare situatie geldt ook voor de meteorologie die naast de geologie en
de fysische geografie in het instituut voor aardwetenschappen een aparte plaats
305
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's