Wetenschap en rekenschap - pagina 86
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J VEENHOF
kwam hem hierbij zeer te stade.'"Met zijn oom Herman Bavinck had hij — zoals uit
dit boek en uit andere geschriften blijkt — de oriëntatie aan het denken van
Augustinus gemeen. Ook in zijn innerlijke en uiterlijke attitude was hij, zoals ik al
aanduidde, aan Herman Bavinck verwant. Daarbij denk ik aan zijn zin voor het
mysterie, aan zijn respect voor de andere mens en de door hem bepleite en
aangenomen houding van nederigheid en bescheidenheid.
In zijn studie over religieus besef en christelijk geloof'worstelt Bavinck met de
vragen rondom de relatie tussen het christelijke geloof en de religies. In de vooral
door H. Kraemer ontketende discussie over continuïteit en discontinuïteit kiest
Bavinck niet eenzijdig voor discontinuïteit. Het religieus besef, in welke gestalte
het zich ook voordoet, wordt door God in stand gehouden. Wel is alle menselijke
religie ambivalent. In een meesterlijke analyse van Romeinen 1 tekent Bavinck de
religie in haar concrete gestalte door de geschiedenis heen als een proces van
verdringing en vervanging. De mens wordt geconfronteerd met God, die zich in
zijn algemene openbaring rusteloos met hem bemoeit en hem zoekt. Deze alge-
mene openbaring wordt verstaan en doorzien, maar tegelijk weggedrukt.
De resultaten van zijn missiologische studie vatte Bavinck samen in zijn „Inleiding
in de zendingswetenschap". Dit werk bevat de winst van wat de protestantse
zendingswetenschap in de eerste helft van deze eeuw heeft opgeleverd en munt
evenals zijn andere geschriften uit door zorgvuldige bijbelse oriëntatie. Het boek,
dat als één van de klassieken van de zendingswetenschap mag gelden,'^documen-
teert Bavinck's streven om de gereformeerde zending en missiologie in relatie te
stellen met hetgeen op internationaal niveau aan activiteit en studie werd onder-
nomen.
Vanaf 1954 doceerde Bavinck aan de V.U. de ambtelijke vakken. Opnieuw stapte
hij over naar een ander studieterrein, zonder het vorige echt los te laten. Naast de
psychologische interesse werd ook de missionaire gerichtheid in de beoefening van
de ambtelijke vakken geïntegreerd. Bavinck onderstreepte de missionaire dimen-
sie in het ambtelijk handelen van de kerk, die steeds meer tot de zendingssituatie
terugkeert. Representatief voor deze benadering is b.v. het uit de laatste periode
stammende geschrift „Ik geloof in de Heilige Geest."'Mn alles wat J.H. Bavinck als
hoogleraar deed en tot stand bracht — ook in zijn publicaties — zijn kennis en
inzicht verbonden met een persoonlijke spiritualiteit. Deze werd gevoed door
ononderbroken omgang met de Heilige Schrift, die in een reeks van Bijbelstudies
haar neerslag vond.'"*
In 1945 wordt Berkouwer gewoon hoogleraar en in 1950, na de emeritering van
Hepp, gaat hij de dogmatiek doceren. In de jaren tussen 1940 en 1950 had zich bij
hem geleidelijk de overgang van de apologetische periode naar een nieuwe fase
voltrokken. In deze jaren zocht en vond Berkouwer een nieuwe benaderingswijze
van de dogmatische problemen. Men kan spreken van een eigen „methode", mits
men daarbij bedenkt, dat Berkouwer de vragen betreffende de methode slechts
zelden expliciet aan de orde stelt en zeker niet de pretentie voerde een methode
82
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's