Wetenschap en rekenschap - pagina 459
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
SOCIOLOGIE, N E D E R L A N D EN DE VRIJE UNIVERSITEIT
betrokken verschijnselen voorwerp van studie konden zijn.^' In zijn methodolo-
gische colleges zette hij uiteen dat het bij de beschrijving om het karakteristieke ging
en dat dit alleen kon worden opgespoord door vergelijking met relevante andere
groepen. We herkennen er iets van de methode van de Idealtypus van Max Weber
in.
In 1933 ging Steinmetz met emeritaat en volgde Ter Veen hem op als hoogleraar
met dezelfde leeropdracht als bij zijn lectoraat, sociologie ging naar Bongers, de
volkenkunde werd toegewezen aan een lector, J.J. Fahrenfort, die eerst na de
Tweede Wereldoorlog hoogleraar werd. Moet deze verwisseling typerend worden
geacht voor de plaats van de sociografie? Zoals reeds gezegd begon Ter Veen de
grondslagen te leggen om onderzoek te kunnen doen: in 1936 kwam door hem de
Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de Drooggelegde Zuiderzeepolders tot
stand en in 1940 het Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk
(ISONEVO). Er ontstonden ook nauwe banden met de provincies: zo hield Ter
Veen zich ook bezig met een nieuwe gemeentelijke indeling van Noord-Holland.
In de jaren dertig werden in de provincies gesticht de Economisch Technologische
Instituten die tot taak hadden de industrialisatie en daarmee de werkgelegenheid
te bevorderen: verscheidene sociografen vonden er een werkkring, evenals aan de
Provinciale Planologische Diensten (P.P.D.'s), waar zij een goede indruk maakten,
hetgeen de populariteit van de sociografen deed groeien.
Na 1946 begon Ter Veen met zijn gezondheid te tobben, ging met vervroegd
emeritaat en overleed kort daarop in 1949. Toen waren er echter al verscheidene
professorabele figuren voorhanden. Intussen waren er plannen gesmeed om tot
echte sociologieopleidingen te komen. Amsterdam nam het voortouw en stichtte
een „zevende faculteit" met subfaculteiten voor politieke wetenschappen, voor
sociologie en voor sociale psychologie en sociale pedagogiek. Haar graden hadden
geen effectus civilis omdat de studie niet was opgenomen in het Academisch
Statuut. Dit laatste voorzag echter wel in een sociologieopleiding, ondergebracht
in de Verenigde Faculteiten van de rechten, van de economie en van de letteren en
wijsbegeerte (of, al naar gelang de universiteiten deze faculteiten hadden) in twee
ervan. Om en nabij 1948 kwamen er toen opleidingen in Groningen, Utrecht en
Leiden en kwamen er leerstoelen in Rotterdam, Tilburg, Nijmegen en de Vrije
Universiteit. Met uitzondering van P.J. Bouman in Groningen (economisch hi-
storicus), F.L. Polak in Rotterdam (econoom/futuroloog) en R. van Dijk aan de
Vrije Universiteit (Indoloog) waren de nieuwe hoogleraren en lectoren uit de
Amsterdamse school afkomstig: C D . Saai (Groningen), W.R. Heere (Nijmegen),
J.P. Kruijt en Sj. Groenman (Utrecht), A.N.J. den Hollander, Sj. Hofstra, G.
Kruyer (Universiteit van Amsterdam), G. Kuiper (Vrije Universiteit te Amster-
dam), E.W. Hofstee (Wageningen), F. van Heek, J.A.A. van Doorn, C.J. Lammers
(Leiden; Van Doorn later in Rotterdam), A. van Braam (Rotterdam, thans in
Leiden), A. Oldendorff (Tilburg). Er is derhalve geen universiteit of hogeschool
waar in het geheel geen invloed van de sociografische school mogelijk is geweest.
De periode tot 1950 is wel het „sociografisch intermezzo" genoemd door Van
453
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's