Wetenschap en rekenschap - pagina 273
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
BIOLOGIE
2.4. Slotbeschouwing
De ruimte laat niet toe om alle details van Kuyper's 80 jaren oude rede met de
huidige opvattingen, inzichten en gegevens te confronteren. Met verbazing en
bewondering kan echter geconstateerd worden dat allerlei uitspraken die hij doet
nog steeds actueel zijn. Dat geldt vaak van hoofdzaken, zoals de onverenigbaar-
heid van het christelijk geloof met wat hij noemt het „evolutie-dogma". Het is
natuurlijk zo dat dit laatste aan het einde van de vorige eeuw door mensen als
Haeckel wel op een bijzonder extreme wijze werd gepropageerd, maar het „evo-
lutionary humanism" van Julian Huxley (1957) en daarmee verwante recente
beschouwingen verschillen hier toch niet wezenlijk van. Echter ook op kleinere
punten maakt Kuyper opmerkingen die tegenwoordig hout snijden. Zijn passages
over het ontstaan van het altruïsme en de ethiek passen bij voorbeeld precies in de
huidige verhitte discussies over „sociobiology" en de phylogenetische oorsprong
van menselijke gedragingen, gevoelens en normen.
Heel anders staat het m.b.t. de bespreking van de argumenten die voor de biolo-
gische evolutie-theorie pleiten. Die waren in 1899 zwak of, zoals Darwin's selec-
tie-principe, door het ontbreken van een goed inzicht in de erfelijkheidsver-
schijnselen zelfs inmiddels verzwakt. Kuyper's kritiek hierop was dan ook geheel
terecht. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat deze kritiek al binnen enkele
maanden gedeeltelijk verouderd was. In 1900 werden de, reeds in 1866 gepubli-
ceerde maar in het vergeetboek geraakte, baanbrekende genetische inzichten van
Mendel gelijktijdig door verschillende onderzoekers, waaronder Hugo de Vries in
Amsterdam, herontdekt. Kort daarop wist de Duitser Boveri (1904) de zg. Men-
del-wetten te verbinden met de door hem in 1892 beschreven reductie-delings-
schema's van de vorming der geslachtscellen, waardoor de chromosomale gen-lo-
calisatie, die reeds lang werd vermoed, duidelijk werd. Op deze vondsten kon de
erfelijkheidsleer eindelijk degelijk worden gefundeerd en in deze lijn is tot op de
huidige dag doorgewerkt.
Het beeld dat kort na Kuyper's rede werd verkregen vertoonde echter een zo sterke
constantie dat het een extra-belemmering voor de evolutie-gedachte werd. Het
vraagstuk van „het ontstaan der variatiën" bleef levensgroot gelden. Hier heeft
Hugo de Vries in 1903 de oplossing der mutaties (erfelijke veranderingen van
genen) voor aangewezen. Sindsdien spelen deze in alle beschouwingen over het
mechanisme van de evolutie een centrale rol.
Een tweede kritiekpunt van Kuyper was dat de evolutieleer rond de eeuwwisseling
geen enkel gegeven had dat pleitte voor de stelling dat „chemisch het leven
opkwam uit het levenloze". Het heeft lang geduurd voordat hier wijziging in
kwam, maar gedurende de laatste 25 jaren zijn allerlei argumenten verzameld die
deze veronderstelling aannemelijker hebben gemaakt. Zo is gebleken dat in deze
werkelijkheid allerlei organische stoffen kunnen ontstaan zonder dat er organis-
men aanwezig zijn. Men heeft dergelijke verbindingen in de ruimte tussen de
sterren van ons melkwegstelsel aangetoond, terwijl bv. aminozuren (de bouwste-
269
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's