Wetenschap en rekenschap - pagina 542
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
maar in de wil als een lager vermogen van de menselijke ziel: „dit begeringsver-
mogen" zou de leiding van de rede niet langer gevolgd zijn. Hier lag echter ook de
reden waarom op Rooms-katholiek standpunt de radicale verdorvenheid van de
menselijke natuur niet kon worden aanvaard.
Kuyper heeft echter vanuit zijn calvinistische conceptie van het radicaal karakter
van zonde en verlossing elders inderdaad blijk gegeven van een andere, een
nieuwe mensvisie. Met name in zijn Stone-lezingen schetst hij de mens als een
wezen dat in het diepst van zijn gemoed of bewustzijnsleven niet tweevoudig is
maar één. Bovendien is deze wezenlijke eenheid niet te omschrijven ais een
substantie, dit is ais een zelfstandigheid. Want juist in de kern van zijn bestaan
treedt volgens Kuypers de onzelfstandigheid van de mens het sterkst naar voren:
„Persoonlijk ervaren wij dan ook gedurig, hoe in het diepst van ons gemoed, op het
punt waar dit gemoed zich voor den Eeuwige ontsluit, alle stralen van ons leven als
in één brandpunt samenvallen" (HC 11). De kern van het mens-zijn is zijns inziens
bovendien niet redelijk doch religieus, omdat het tot de wezensdefinitie van de
mens behoort in een open betrekking te staan tot God, als „beeld van God" diens
aanwezigheid in het centrum van eigen bestaan te weerspiegelen. En dat centrum
wordt door Kuyper meer dan eens het „hart" genoemd: „God zelf maakt den
mensch religieus door den sensus divinitatis, die Hij spelen laat op de snaren van
zijn hart" (HC 39).
Geloven en kennen
Terzake van de mens heeft Kuyper ook de functie van het geloof ter sprake
gebracht, als ook de verhouding van geloven en kennen. Structureel gesproken,
lijkt het geloof hem in eerste instantie niet meer te zijn dan „die formele functie
van ons zielsleven, die aan elk feit in ons menselijk bewustzijn ten grondslag ligt",
de onmiddellijke ,,zekerheid" van ons kennen en tevens „de grond van iedere
handeling" (EG II 72, 75, 89). Zo gezien, komt het geloof ongeveer neer op wat in
het moderne denken doorgaans „intuïtie" heet.
In het kader van zijn nieuwe mensvisie ontwikkelde Kuyper echter eveneens een
nieuwe visie op het geloof, een visie waarmee hij mijns inziens een weg zocht die
uitging boven de heersende kenconcepties in het middeleeuwse én in het moderne
denken. Tegenover het middeleeuwse supranaturalisme poneert Kuyper in E voto,
dat het geloof niet bovennatuurlijk is maar „de hoogere levensfunctie, die tot onze
menselijke natuur behoort", een „inklevend vermogen van onze menschelijke
natuur" (EV II 296 sqq). Door God zelf is het geloof in de menselijke natuur
ingeschapen (EG II 218 sqq). Het is met andere woorden niet bovennatuurlijk,
maar creatuurlijk van karakter. Kuyper vervolgt dan, dat het geloof een funda-
menteel vertrouwen is op elk niveau van kennis, maar uiteindelijk gegrond in
vertrouwen op God. „Het geloof ontstaat primordiaal, doordien ons ik God, als het
eeuwige, oneindige Wezen tegenover zich plaatst". Het is niets anders dan „een
536
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's