Wetenschap en rekenschap - pagina 146
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
I. A D I E P E N H O R S T
craat, maar wenste slechts hen verantwoordelijkheid toe te kennen die deze
konden dragen. Gedurende drie lustra met hart en ziel hoogleraar, die gelijkelijk
op onderwijs en onderzoek was gesteld, vreesde hij — en terecht — van de nieuwe
universitaire organisatie eindeloze pallavers, uitwissing van grenzen en nodeloze
strubbeling of erger. Hij was ook voor de te verwachten nieuwe bedeling minder
geschikt vanwege een plotseling uitschietend niet geheel te berekenen tempera-
ment. Evenals zijn vader recht door zee en goedhartig, telde hij soms, ook stu-
denten beoordelend niet geheel de draagwijdte van zijn woorden. Voor zijn leer-
lingen koesterde hij overigens veel belangstelling en wat hij aan internationaal
universitair werk volstrekt belangeloos heeft verricht, terwijl hij zeker de econo-
mische waarde van professionele adviezen niet onderschatte, dwong ingewijden
diep respect af.
Het lijdt geen twijfel dat de door sommigen tegenwoordig misprezen onder-
richtsvorm van hoorcolleges Gerbrandy in staat stelde de studenten te vormen.
Aan de klem van het bij de belangrijke passages met snijdende stem uitgesproken
betoog, waarbij de docent vooral uit het franse recht putte, dat hij evenals de door
hem vereerde Paul Scholten hoog stelde, was niet te ontkomen. Wetenschappelijk
werden degelijke voordrachten gehouden over Gebruik en misbruik van proces-
recht (1959) en Het waarheidsprobleem in het burgerlijk procesrecht (1961). Af-
zonderlijk staat het reeds in 1953 gehouden referaat Recht, rede en openbaring. De
voornaamste gepubliceerde vrucht der professorale studie is het in feite herschre-
ven Kort commentaar op de auteurswet 1912, dat in 1973 verscheen en piëteitshalve
als een bewerking werd aangeduid van het in 1940 door H. Pfeffer in beknopte
vorm geboden werk. Een geslaagd artikel uit 1964 over Ontwikkeling van het
privaatrecht loopt uit op een betuiging van eerbied voor het recht, dat tevens in zijn
betrekkelijkheid wordt erkend dat in ieder geval niet van één beginsel mag worden
afhankelijk gemaakt en dat naar Gerbrandy's overtuiging zelf jegens de eigen
conscientie kritisch doet staan.
Wanneer Gesina H.J. van der Molen (1892-1978) in 1949 het extra-ordinariaat in
het volkenrecht aanvaardt met een rede over Subjecten van volkenrecht is zij de
eerste vrouw die aan de Vrije Universiteit en uiteraard aan de juridische faculteit
een leerstoel bezet. Zij kende reeds het klappen van de academische zweep daar zij
in 1946 toegelaten als privaat-docente voor hetzelfde rechtsgebied een openbare
les had gehouden met de titel Uitsluitend nationale bevoegdheid en gemeenschaps-
bevoegdheid in het volkenrecht. Haar bestijgen van een katheder had niet voor de
hand gelegen. Van de kweekschool komend had zij even het onderwijs gediend,
was zij in de journalistiek terecht gekomen en via het colloquium doctum zag zij
zich de weg tot de universiteit ontsloten; in 1929 werd de meestertitel behaald. In
1937 promoveerde zij aan de universiteit waar ze gestudeerd had op het proef-
schrift .4/feen'co Gentili and the Development of International Law (\921). Vóór 1940
nauw bij vrouwenbeweging en volkenbondacties betrokken, dreef de Tweede
Wereldoorlog haar in het verzet. In 1914 had het uitbreken der vijandelijkheden
142
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's