Wetenschap en rekenschap - pagina 24
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
W . J . WIERINGA
Opvatting op heilzame wijze gerelativeerd door de erkenning, dat dit stelsel slechts
geleidelijk kon worden gevonden en dat daarbij steeds het verschil tussen mens en
mens, land en land, volk en volk en eveneens tussen tijd en tijd een rol speelde,
maar dit nam niet weg, dat het vinden van zulk een stelsel Gods — waarin ook de
wetenschap als zodanig een plaats had — mogelijk werd geacht op de basis van de
calvinistische beginselen.
Overigens waren in dit opzicht de verdedigers van het bedrijven van wetenschap
op basis van gefixeerde beginselen, waaruit allerlei zaken, die voor de beoefening
van wetenschap relevant werden geacht, waren af te leiden kinderen van hun tijd.
Filosofische stromingen als het Kantianisme, het positivisme en het existentialis-
me deden niet anders.
De stellingen werden gepubliceerd onder de titel: „Baken op de kust". Maar met
dit baken kreeg de Vrije Universiteit in versterkte mate een gereformeerde signa-
tuur in de kerkelijke zin van het woord en daarmee werd haar basis smaller dan
oorspronkelijk bedoeld was. De versmalling was reeds begonnen na de Doleantie
van 1886, waaruit de oprichting van het kerkgenootschap van de Gereformeerde
Kerken in Nederland het gevolg was en dit bracht een verwijdering van de
nederlands hervormden met zich. Een en ander had tot gevolg, dat de Vrije
Universiteit in een geïsoleerde positie binnen de reformatorische samenleving
terecht kwam. Zij werd meer en meer vereenzelvigd met het kerkelijk gerefor-
meerde volksdeel en mede daardoor met de Antirevolutionaire Partij. Het verband,
dat tot stand gebracht werd tussen de theologische faculteit en het kerkgenoot-
schap der Gereformeerde Kerken bracht met zich, dat de hoogleraren dezer facul-
teit lid van deze kerken moesten zijn; voor de hoogleraren der andere faculteiten
gold formeel deze bepaling niet. En wat de studentenpopulatie betreft, deze
vertoonde sedert de eeuwwisseling tot circa 1950 een overeenkomstig kenmerk: de
overgrote meerderheid was van gereformeerde huize.
Van de emancipatiebeweging der gereformeerden maakte ook de Vrije Universi-
teit deel uit; zij was daarin zelfs een stimulerend element. J. Hendriks heeft haar
dan ook terecht een plaats gegeven in zijn aan de V.U. verdedigd proefschrift over
„De emancipatie van de gereformeerden" (1971). Hendriks onderscheidt in deze
emancipatiebeweging een viertal fasen. De eerste valt in de periode 1860-1880. Zij
kenmerkt zich door een steeds nadrukkelijker streven in samenwerking met an-
dere protestantse groeperingen naar emancipatie en herkerstening. Dit liep uit op
een teleurstelling, want de verwachte steun der aanzienlijken bleef uit. Dit had zijn
invloed op de tweede fase, die Hendriks plaatst tussen 1880-1920. De doeleinden
worden dan duidelijker omschreven, terwijl men tevens overgaat tot een straffere
organisatie van gelijkgezinden, hetgeen op zijn beurt leidt tot een breuk met
geestverwante groeperingen. De herkerstening wordt als mislukt afgeschreven. Dit
gaat gepaard met een versterking van het positieve zelfbeeld. Men gaat zich als een
„Gideonsbende" beschouwen. Er is derhalve sprake van een interne integratie en
van een verzwakking van de externe. Als tegen het einde van deze fase de kritiek
van de jongeren zich doet gelden, begint de derde fase zich af te tekenen, die zich
20
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's