Wetenschap en rekenschap - pagina 374
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
A TH VAN DEURSEN
„Met het toenemen der jaren", meent Gerretson — schrijvend met het gezag van
zijn pseudoniem H. Colijn — „dienden de feiten hem minder als materiaal, waaruit
zijn stellingen werden afgeleid, dan als illustratie van gevestigde overtuigingen".''
Geschiedenis moest bevestigen wat Kuypers negentiende-eeuwse calvinisten
wensten. Geschiedenis moest geestdrift wekken, en dus aan iedereen bekend
gemaakt worden, doch op een bij het doel aangepaste manier. Enthousiasme komt
niet voort uit „het aanleeren van tabellen en geslachtsregisters en dorre kronieken,
waar het leven nooit inzat en die dus ook tot het wekken van leven onbekwaam
zijn. Och, laat men onzer eenvoudige bevolking dien ballast desnoods ganschelijk
sparen". Het doet er ook ,,voor een eenvoudig werkmanskind niets ter wereld toe
of het al een eeuw of drie in de war is, en denkt dat Oranje in Friesland ligt, en
Willem III voor een zoon van Maurits houdt. Waar het voor dat kind op aan komt,
dat zijn de tafereelen, dat is het bezielde, in kleuren geschilderde doek, dat zijn de
heldenfiguren en de wondere legenden zelf! Want och, zonder die legenden is uw
geschiedenis, die toch een feilbaar verhaal blijft, geen ware historie meer, en viel er
juist het meest bezielende en meest ware, ,,die mysterieuze ademtocht des levens"
uit weg!".'
Wie zo met het verleden omgaat heeft geen wetenschappelijke geschiedschrijving
nodig. Integendeel zelfs, want wetenschappelijk onderzoek zal het als zijn plicht
zien de legenden te ontmaskeren, die voor Kuyper de ware historie vormen.
Wetenschap verzakelijkt de geschiedenis en neemt de bezieling weg. Dat Fruin
een onovertroffen vakman was is niet zijn kracht, maar zijn grootste gebrek. „Wat
Robert Fruin miste, en steeds meer verloor, was juist het enthousiasme, dat het
verleden episch tint voor ons oog. Juist zijn fijne en keurige detailstudie maakte
hem voor den epischen blik op het verleden steeds meer onvatbaar".^
Historisch onderzoek is overbodig, want het richt zich op wat we niet weten. De
hoofdzaak echter weten we al lang: de nationale kracht in de Nederlandse ge-
schiedenis wordt gevormd door het calvinisme. „De echte geschiedvorschers, met
GROEN aan het hoofd", schrijft ds. A. Brummelkamp jr in 1891, „hebben dat
altijd erkend".' In Kuypers tijd wordt calvinisme door zijn getrouwen steeds
aangeduid met termen als kloek, stoer, moedig en fier. Calvinisten zijn mannelijk
en strijdvaardig. „Wij hebben het calvinisme lief, dat eenmaal heroën heeft
voortgebracht", roept Fabius in 1897 de jaarvergadering van de vereniging toe,* en
wij wensen dat onze kinderen hun waardig nakroost zullen zijn. „Onze zonen en
onze dochteren moeten uit de granietrots van het calvinisme zijn gehouwen". Dat
calvinisme kennen wij uit de geschiedenis. Bij de Rembrandt-herdenking in 1906
schrijft een gereformeerd predikant, dat deze kunstenaar hecht in het calvinisme
geworteld is. „Hij geeft ons in wonderschoone tafereelen, onder zijn verrassende
belichting, te zien: de moeders van het Calvinistische volk (Elisabeth Bas); het
Calvinistische huisgezin (de heilige familie); de Calvinistische vrijheidshelden (de
nachtwacht); de Calvinistische wetenschap (de ontleedkundige les); den
Calvinistischen handel (de staalmeesters)".'
Belangstelling van deze aard kan gediend worden met historische romans als die
368
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's