Wetenschap en rekenschap - pagina 80
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J VEENHOF
poogde Hepp inderdaad verder te komen. Maar hij slaagde er niet in dit program
te verwerkelijken. Zijn gestencilde collegedictaten over dogmatiek, dogmage-
schiedenis en ethiek — dit vak nam hij van Geesink over — bieden de neerslag van
veel studie en vernuft, maar openen weinig vruchtbare perspectieven. In zijn
onderzoekingen en uiteenzettingen — b.v. inzake de Godsleer — bouwde hij op
scholastieke wijze voort aan het systeem en dit kwam uiteindelijk ver af te staan
van het leven des geloofs en het leven in de wereld. De oorzaak hiervan was, dat
Hepp ondanks betuigingen van het tegendeel toch in feite ervan uitging, dat de
gereformeerde theologie de waarheid reeds gegrepen had. Voor vernieuwingen in
de theologie was hij niet toegankelijk. Te weinig stelde hij zich in op de tijd, waarin
hij dogmatiseerde. Zijn dogmatiek werd in vele partijen nog bepaald door de
confrontatie met de ethische theologie, toen reeds allerlei nieuwe stemmen — niet
in de laatste plaats de verdragende stem van Barth — met krachtig geluid waren
gaan klinken.
Deze attitude van Hepp, die opvallend afweek van die van zijn leermeester
Bavinck had ten gevolge, dat zijn theologische inbreng reeds voor 1950 — het jaar
van zijn aftreden — een verouderde indruk maakte. Zijn invloed werd bovendien
beperkt door de omstandigheid, dat hij als persoon geen sympathie wist te winnen.
Overigens moet op de credit-zijde van Hepp worden geboekt, dat hij niet weinig
leerlingen tot een promotie wist te stimuleren. Met name zijn buitenlandse leer-
lingen gaven blijk van waardering voor de wijze, waarop Hepp hen bij hun
promotie-studie begeleidde." De belangstelling voor de buitenlanders hield zeker
verband met Hepp's ijveren voor de internationale doorwerking van het Calvi-
nisme.•^''
Hepp was een typische vertegenwoordiger van de tweede generatie. Hij en ande-
ren streefden naar een dogmatisch belijnde ontwikkeling van het gereformeerde
leven. Maar niet alle vertegenwoordigers van die generatie waren het daarmee
eens. Een aantal leerlingen van Kuyper en Bavinck — de z.g. „jongeren " of
„jong-gereformeerden" — voerde, vooral onder invloed van de geest van Bavinck,
het pleit voor een doorbreking van verstard dogmatisme en voor een persoonlijke
geloofsbeleving. In hun kring leefde ook sympathie voor de N.C.S.V., die in de
theologische faculteit verschillend beoordeeld werd. Geesink b.v. waarschuwde
tegen haar. maar Bavinck bleef haar steunen. Een markant woordvoerder uit deze
kring was J.G. Geelkerken. In zijn preek uit 1920 over ,,Machteloosheid en
krachtsontplooiing der kerk" hekelde hij het isolationisme, dat naar zijn oordeel
de gereformeerde kerken stempelde.^'
Deze preek, die veel rumor in casa veroorzaakte, was de voorbode van het
conflict, dat door de besluiten van de synode van Assen in r926 tot een scheuring
leidde. Geelkerken stelde, zoals bekend, het historisch karakter van verschillende
elementen in het verhaal van de zondeval in Genesis 3 ter discussie. Belangwek-
kend is, dat hij zich daarbij nadrukkelijk beriep op de door Kuyper en Bavinck
voorgedragen organische opvatting van de inspiratie. Naar zijn inzicht was het
76
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's