Wetenschap en rekenschap - pagina 513
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE PSYCHOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Aangezien deze tussen de S en de R mediërende variabelen geen publiek gegeven
grootheden zijn, moet de psychologie — in tegensteUing tot de natuurkunde — van
meet af gebruik maken van hypothetische begrippen en derhalve reeds in haar
beginfase „theoretisch" zijn.
Dat argument is des te klemmender wanneer men zich op een cognitief standpunt
plaatst. Indien men van de visie uitgaat dat de mens een agerend, handelend wezen
is, dat het menselijk gedrag derhalve autonome activiteit verraadt, dan heeft men
van meet af veel gecompliceerdere concepten dan de behavioristen nodig om
überhaupt verbanden in de empirie te kunnen ontwaren. Men kijkt dan bovendien
vanuit een zodanig theoretisch kader naar de werkelijkheid dat een beperking van
de perceptie tot de fysische aspecten van het gegevene niet meer mogelijk is. De
empirische data liggen dan immers niet langer in de sfeer van de basale, fysische
concreetheid waarover gemakkelijk intersubjectieve overeenstemming te verkrij-
gen valt, doch krijgen het karakter van een theoretisch geïnterpreteerde werke-
lijkheid, waarmee tevens hun onbetwistbaarheid verdwijnt.
Om een voorbeeld te geven: voor de harde behaviorist is de S een fysische
grootheid, voor de cognitivist zijn deze fysische karakteristieken niet relevant. Hij
let daarentegen op het tekenkarakter van de Stimulus, op de informatiewaarde die
deze vertegenwoordigt voor het organisme.
Een consequentie van deze ontwikkeling voor het methodologisch denken is
geweest dat men aan de houdbaarheid van de stringente scheiding tussen de
„context of discovery" en de „context of justification" is gaan twijfelen. Een
tweede gevolg is het ontstaan van een veel genuanceerder denken over mogelijk-
heid en waarde van toetsing van wetenschappelijke gissingen.
Het eerste punt houdt verband met het feit dat men ging inzien dat er in de
psychologie geen „theoretisch neutrale", onproblematische, basisuitspraken be-
staan. Het tweede hangt samen met de hernieuwde behoefte aan theoretiseren.
Verlaat men de simpele „mini-theorie" en gaat men zijn aandacht geven aan
volwaardiger theoretische kaders, dan krijgt men te maken met langere logische
deductieketens tussen hypothese en concrete situatie waarin de toetsing plaats
vindt, waardoor men de resultaten daarvan gemakkelijker kan aanvechten.
Voordat wij deze beide uitvloeisels van de ontwikkelingen binnen de psychologie
nader gaan adstrueren, besteden wij aandacht aan een aantal nieuwe ontwikke-
lingen in de wetenschapstheorie die dienstig zijn geweest om de betekenis van de
„cognitive shift" voor de methodenleer naar haar juiste waarde te schatten.
Nieuwe ontwikkelingen in de wetenschapstheorie*
De hier bedoelde nieuwe ontwikkelingen hebben met die in de psychologie ge-
*Deze ideeën zijn deels reeds in de zestiger jaren gepubliceerd, maar drongen eerst in de
jaren zeventig tot de psychologen door. Bovendien kunnen wij slechts een arbitraire greep
uit deze ontwikkelingen doen.
507
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's