Wetenschap en rekenschap - pagina 543
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR FILOSOFIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Opendoen van het geestelijk oog en een nu ontwaren van een ander, ons in alles
overtreffend. Wezen, dat in ons eigen wezen verschijnt" (EG II 219). Hier blijkt de
samenhang van Kuypers kenbeschouwing en mensbeschouwing.
Welbeschouwd wendde Kuyper zich echter óók af van de moderne kennistheorie.
Hij keerde zich tegen Descartes, volgens wie aan de mens als redelijke substantie
weliswaar de Godsidee was ingeprent zonder dat toch de menselijke kennis een
opening had naar God zelf, een venster zou zijn op de eeuwigheid. Hoe verrassend
Kuypers opstelling in dezen is, kan worden beseft, zodra men bedenkt, dat nage-
noeg heel het westerse rationalisme is verder gegaan in het voetspoor van Des-
cartes en van diens opvatting, dat de menselijke rede niet naar middeleeuws model
beschouwd moest worden als een substantia incompleta maar als een komplete in
zichzelf gesloten substantie. Het gevolg van diens zienswijze was, dat de rede kwam
te staan tegenover de wereld van de lichamelijke uitgebreidheid en zich met de
laatste hooguit accidenteel kon verbinden. Is het niet dit axioma van de gesloten
menselijke rede geweest, dat de middeleeuwse metafysische problematiek inzake
de ontologische samenvoeging van geest en stof of van ziel en lichaam achter-
haalde en in plaats hiervan de kentheoretische problematiek pousseerde inzake de
te overbruggen kloof tussen denksubject en kenobject en deze verhief tot het
grondvraagstuk van de westerse wijsbegeerte? Zo gezien, betekent Kuypers con-
ceptie van het geloof als een opening van het menselijk bewustzijn als zodanig naar
de Schepper en zijn schepping, hoe weinig ook uitgewerkt, een algehele door-
kruising van de vanzelfsprekendheid van deze westerse denktraditie.
Ter voorkoming van mogelijk misverstand, zij hier zijdelings opgemerkt, dat
Kuyper het geloof niet alleen structureel maar ook inhoudelijk kon opvatten,
namelijk als zaligmakend geloof, en dat hij het in dat geval ook wel degelijk zag als
een genadegave van God. Beklemtonen wilde hij echter, dat de geloofs5/n(c?Mw/-
(de openheid naar God) inherent is aan de menselijke natuur en als zodanig juist
geloof (vertrouwen) èn ongeloof (afkerigheid) mogelijk maakt. Gezien vanuit
Gods scheppingsorde is het ongeloof óók een vorm van geloven, maar dan één die
een „schending" van de scheppingsorde inhoudt (EV II 296). Hiertegenover is het
ware geloof geen bovennatuurlijke of bovencreatuurlijke gave, maar een rich-
tingsverandering, een genadig herstel van de geschapen maar geschonden crea-
tuur zelf.
Ondertussen mag niet onvermeld blijven, dat Kuyper in de wetenschapsbeschou-
wing van zijn Encyclopaedic]ms\. sterk beïnvloed blijkt door de genoemde westerse
kennistheorie. Hij stelt daar dat de mens van meetaf de wereld kennend tegemoet
treedt in het schema van het denksubject, te verstaan als het algemeen menselijke
bewustzijn, dat zich geplaatst ziet tegenover de objectieve werkelijkheid in de zin
van „al het bestaande" (EG II 10). In het object onderscheidt Kuyper vervolgens
„momenten en relatiën", waarbij hij onder „momenten" de zinlijke indrukken
verstaat, waarmee het menselijk voorstellingsvermogen correspondeert, en onder
„relatiën" de wetmatige samenhangen, waarmee dan het menselijk denkvermogen
correspondeert (EG II 21). Deze onderscheiding van momenten en relatiën is in
537
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's