Wetenschap en rekenschap - pagina 331
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR KLASSIEKE FILOLOGIE IN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Met de mankracht is het lange tijd niet beter gesteld geweest Laat eerst gezegd
worden dat we sinds ongeveer 1960 ordinariaten hebben voor Grieks, Latijn, oude
geschiedenis, archeologie en antieke wijsbegeerte, dat is de normale bezetting van
een klassieke sectie Bovendien hebben we een gewoon hoogleraar voor
oud-chnstelijk Grieks en Latijn (H J Pos en A Sizoo hebben tussen 1924 en 1932,
resp 1933 en 1955, „postklassiek Grieks en Latijn" gedoceerd, men kan goede
argumenten aanvoeren zowel voor als tegen de wijziging van de opdracht) Verder
telt de faculteit ook sinds 1960 een gewoon hoogleraar in de algemene taalweten-
schap, later is er nog een ordinariaat voor de algemene literatuurwetenschap
bijgekomen Dit is een alleszins bevredigende toestand Er viel en er valt ook wat
de bezetting betreft nog wel iets te wensen over, maar niet elke universiteit moet
beslist een specialist hebben voor papyri of inscripties Men moet echter niet
vergeten dat het vak zich in de afgelopen honderd jaar enorm uitgebreid heeft We
hebben nieuw materiaal gekregen, bestaande methoden zijn verfijnd en nieuwe
bedacht, contact met andere wetenschappen is vruchtbaar geworden Ook in deze
wijngaard kan men het niet zonder arbeiders stellen Maar pas in 1957 hebben we
onze eerste student-assistent gekregen, die bracht inderdaad assistentie, maar in
het wetenschappelijk werk kon men die natuurlijk met van hem verlangen In 1962
verschijnt onze eerste wetenschappelijke medewerker, en pas na 1970 vindt men in
de sectie wat men tegenwoordig een „staf gelieft te noemen En nogmaals in de
eerste zeventig jaar zijn niet meer dan vier mannen in de sectie werkzaam geweest
Zeker, in 1880 kende geen enkele literaire faculteit in Nederland wetenschappe-
lijke medewerkers, maar J Woltjer moest toen alleen het terrein bewerken dat
elders aan minstens drie hoogleraren was toevertrouwd, en zo is het maar al te lang
gebleven (J Woltjer heeft zo moeten werken van 1880 tot 1905, R H Woltjer van
1917 tot 1924) Er mag wel op gewezen worden dat in de eerste periode van de
universiteit onder leiding van J Woltjer een schitterende reeks dissertaties tot
stand gekomen is, de onderwerpen variëren tussen het godsbegrip van Aeschylus
en de armenzorg bij de Romeinen De variëteit toont dat de eminente geleerde
geen „school' heeft willen maken — ook dat strekt hem tot ere
Dit alles wordt met opgehaald om uiting te geven aan oude gevoelens van ge-
gnefdheid (ieder zal trouwens moeten erkennen dat verschillende tekorten on-
vermijdelijk geweest zijn), maar om duidelijk te maken dat lange tijd de weten-
schappelijke productie van onze sectie geremd geweest is Daaraan moet men ook
denken bij het volgende in de afgelopen honderd jaren zijn allerlei verzamel-
werken (encyclopedieën, corpora etc ) voltooid of op touw gezet, en dat is gebeurd
in interuniversitaire en internationale samenwerking Onze classici hebben binnen
de universiteit te veel te doen gehad om veel bij te kunnen dragen daaraan (Sizoo
heeft nog het meeste kunnen doen) Ook op dit punt ziet men na 1970 een
verbetering (b v medewerking aan het Corpus Hellenisticum en aan werkgroepen
voor dramaturgie en voor lineair A, het oudste en nog steeds met ontcijferde in
Griekenland gevonden schrift)
325
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's