Wetenschap en rekenschap - pagina 174
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
M KUILMAN
komt „de betekenis van den wereldbeschouwelijken achtergrond van den thera-
peut" ter sprake Met een christelijke anthropologic als bewuste keuze voor ogen
onderkent Van der Horst bij de therapeut en in de therapeutische situatie een
drietal specifieke momenten ,,zijn arbeid is allereerst gebaseerd op het myste-
rie van polaire krachten in de mens op een duidelijk dualistisch personalis-
me . rede en wil zal hij plaatsen tegenover het psychische gebeuren en de
hchamelijke processen, die tezamen als het psychofysisch totaal of het „aardse" of
de „natuur" in een soort antinomie staan tegenover het inzicht, de kern van de
menselijke persoon Zijn toenadering en distantie zullen voorts bepaald worden
door de existentiële communicatie met de daarin gegeven moraal als een reëel a
priori met haar trouw, eerbied en liefde De christelijke anthropologic ziet
in de psychotherapie zelf een zeer specifieke communicatie Het „Zu zweien Sein"
in de therapeutische communicatie is gebouwd op en gebonden aan de geestelijke
orde of moraal, waaruit de zieke mens niet kan of mag worden losgemaakt
Tenslotte wordt de levensbeschouwing van de therapeut gekenmerkt door het
staan in de heilsverwachting hetzij hellenistisch, katholiek of protestant-chri-
stelijk, hetzij eschatologisch, in elk mens ligt de mogelijkheid ener heilsverwach-
ting".
In de anthropologische beschouwingen van Van der Horst wordt met name de
problematiek van het „ik" centraal gesteld Het „ik", dat nader wordt getypeerd
als „zingevende en mogelijke existentie" onderscheidt zich in de eerste plaats van
het empirische „ik", dat identiek is met alles wat zich in de sfeer voltrekt van
bewustzijnsinhouden en ervaringen, van de „awareness" Het empirische „ik" laat
zich objectiveren en beschrijven met de fenomenologische methode Voorts dient
het „ik" in de zin van ,,mogelijke existentie" te worden onderscheiden van het ,,ik"
als „historische totaliteit" Ook dit „ik" kan „hetzij psychologisch hetzij historisch"
worden geobjectiveerd Het ,,ik" in zijn moeilijk te vertolken eerste betekenis
omschrijft Van der Horst als „een kern, een innerlijke levenskracht het ware ik
dat zich openbaart als mogelijke existentie, als centrum van intentionaliteit, als
zijn-in-communicatie " Dit „ik" is nooit voltooid en nimmer als objectief gegeven
voorhanden, het is meer een mogelijkheid dan een verwezenlijking en het kan
geen object van onderzoek worden Zelfs op de vraag of het wel „bestaat" kan de
psychologie geen antwoord geven Bij ieder onderzoek ontglipt het ons en krijgen
we te maken met het geobjectiveerde „zelf Dit „ik" floreert in de sfeer van het
„gelebte Leben" en het zal per definitie nooit kunnen ingaan in de sfeer van het
„erlebte Leben" Het „ik" in de zojuist geschetste laatste betekenis valt buiten het
terrein van wetenschapsbeoefening, zoals wij die in onze tijd geneigd zijn te
definiëren Maar dat ,,ik" is voor Van der Horst daarom niet minder wezenlijk
Onafwendbaar worden wij erdoor gedreven tot het ontwerp van een wereld- en
mensbeeld als vervulling van onze existentie
Met deze beschrijving van het ik als centraal anthropologisch gegeven distantieert
170
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's