Wetenschap en rekenschap - pagina 549
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR FILOSOFIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
grond van de optimistische verwachting dat „de wijsbegeerte en de wetenschap
tegenwoordig convergeren naar de opvatting van het Christelijk geloof' (VR 254)
Hoe dit verder ook zij, de Logos-leer doordrong zijn mensbeschouwing, zijn taai-
en kentheone en ook zijn ontologie
Woltjer zag de mens dualistisch samengesteld uit twee substanties (VR 249) De
mens bestaat uit een stoffelijk lichaam en een afzonderlijk geschapen en inge-
voegde onstoffelijke ziel psycho-creatianisme (VR216) De onstoffelijke ziel
wordt het wezen van de mens genoemd Deze ziel (althans het hogere, actieve deel
ervan, met zonder meer gevoel of gewaarwording) heet „geest" of „logos" De
logos van de mens is toegerust met de twee vermogens van verstand en wil En als
zodanig is hij beeld en afspiegehng van God, de eeuwige Logos (VR 22-24)
Op deze Logos-leer wil Woltjer nu ook zijn taalfilosofie bouwen De taal als
uitdrukking van de menselijke logos is een mysterie analoog aan de eeuwige
generatie van de goddelijke Logos uit de Vader, of, korter gezegd, juist in de taal is
de mens gelijkend op, casu quo beeld van God (VR 41, 224) Ook de hermeneutiek
moet hier haar grondslag vinden De mensen zijn een en lotgemeen, voorzover ze
allen onder inwerking van de ene Logos staan en deze eenheid maakt het onder-
ling verstaan mogelijk (VR 42)
Ja, heel de kenmstheone is volgens Woltjer op de Logos-leer terug te voeren
Immers, de eeuwige gedachten van God als Schepper en Archetype liggen ekty-
pisch en geobjectiveerd voor ons in de wereld van mensen èn dingen „things are
thinks"' Eerst op grond hiervan valt het te verstaan, waarom de menselijke logos
de (andere) mens kan kennen en herkennen ' Toch is deze zienswijze volgens
Woltjer geen idealistische kennistheorie zoals bij Kant Er zijn weliswaar grond-
leggende begrippen in het menselijk subject die de ervaring mogelijk maken
(VR 26) Maar deze aanschouwings- en denkvormen zijn nooit louter subjectief, ze
corresponderen met de ideeën die God heeft neergelegd in de objectieve werke-
lijkheid en die op haar beurt uitdrukking zijn van God zelf als volle werkelijkheid
(VR 203) De betekenis van een en ander is, dat Woltjer aan de V U een kritisch
realisme introduceerde, zoals dit was opgekomen in de school van Kant en deze
leer vervolgens verankerde in een augustijns en middeleeuws ideeen-realisme
Eerst in God en in de ideeën van Zijn geest is het „parallellisme", de „harmonie",
de ,,wisselwerking" tussen subject en object, geest en stof, gewaarborgd
(VR 210, 227, 254) Met deze vreemde mengeling van Kant en Augustinus heeft
Woltjer, zoals we zagen, ook invloed gehad op Kuyper
Ik moet toegeven, dat Woltjer soms oog toonde te hebben voor de zwakke zijden
van deze Logos-leer, met name in zijn ontologie Want wel acht hij met de
antieken alle dingen opgebouwd uit materie en vorm (waarbij de laatste de idee
weergeeft) maar hij deelt met hun conclusie, dat de stof als zodanig eeuwig zou
zijn Niet alleen de vorm is zijns inziens met de schepping gegeven, als christen-
denker noemt hij ook de stof geschapen (VR 212) De conclusie wordt dan echter
onvermijdelijk, dat ook aan de stof een reatio, een gedachte van God ten grondslag
moet liggen, hetgeen moeilijk te rijmen valt met het ontologisch verschil van stof
543
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's