Wetenschap en rekenschap - pagina 384
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
A TH VAN DEURSEN
ontslag als hoogleraar of afscheid van het Nationaal Front. Van Schelven gaf zijn
lidmaatschap toen prijs, en staakte zijn politieke activiteiten. Ook gaf hij geen
gevolg aan een suggestie van de bezetters, dat het rectoraat bij hem in goede
handen zou zijn. Toch was zijn positie in 1945 onhoudbaar geworden. Na een
periode van non-actief kreeg hij in mei 1946 op eigen verzoek ontslag.
Van Schelven bleef zich aan de wetenschap wijden, en gaf nog twee nieuwe
boeken uit; het tweede deel van de Bloeitijd in 1951, en in 1953 de,, Wegkniisingen
in het landschap van de theorie van de geschiedschrijving". Het is niet zijn beste
geschrift. Van Schelvens weinig bespiegelende natuur neigde niet naar het theo-
retisch beschouwende. Gaat dat eigenlijk wel ooit samen met een passie voor
archiefonderzoek? Theorie bleef in Van Schelvens leeropdracht een verplicht
nummer. Hetzelfde moeten wij zeggen van de middeleeuwen. Van Schelven drong
in die tijd niet door, en trachtte evenmin anderen daarvoor geschikt te maken. De
grote opleving van de mediaevistiek door het stimulerende onderwijs van de
Utrechtse hoogleraar Oppermann ging aan de Vrije Universiteit voorbij.
Goslinga
Als historicus stond Van Schelven stellig hoger dan Goslinga. Hij overtreft zijn
collega zowel in de omvang als in de kwaliteit van zijn productie. Goslinga's
dissertatie is zelfs diens enige boek van grotere omvang gebleven. Ze staat bo-
vendien enigzins los van Goslinga's latere werk. Met zuiver politieke geschiedenis
heeft hij zich na zijn benoeming aan de Vrije Universiteit niet dikwijls meer bezig
gehouden. Van Schelven kon als hoogleraar rustig verder gaan met zijn calvini-
sten. Goslinga zal wellicht gemeend hebben, dat een leven aan Simon van Slin-
gelandt besteed, geen rechtvaardiging kon betekenen voor hoger onderwijs op
gereformeerde grondslag. Reeds in zijn oratie toont hij op zoek te zijn naar een
nieuwe levenstaak. De rede handelt over koning Willem I als verlicht despoot.
Maar voor hij aan zijn thema begint, tracht Goslinga eigen positie nader te
bepalen. Die eerste klanken zijn rechtuit gezegd niet zo bemoedigend. Goslinga
wijst zijn hoorders op de geweldige betekenis van het calvinisme. Overal waar dat
kon doorwerken, „legde het op het volksleven beslag, zette het den volksgeest om,
en wekte een volkskracht, die de volkswelvaart, de geestelijke zoo goed als de
stoffelijke, tot vroeger ongekende hoogte verhief.' Het doet aan Van Schelven
denken, zeker, maar met een onbehaaglijk verschil in accent. Goslinga betoogt
niet alleen dat het calvinisme grote invloed heeft gehad, maar hij meent ook — zegt
hier althans — dat die invloed altijd en op alle terreinen positiefis geweest. Brengt
het ons niet al te dicht bij de Kuyperiaanse legende? Voorzichtiger wordt Goslin-
ga, als hij nog eens kort samenvat: „anders gezegd, het werd een historische factor
van beteekenis . . . Die beteekenis voor algemeene zoowel als vaderlandsche
geschiedenis na te speuren, ligt allereerst op den weg van de calvinisten zelf'. Dat
laat zich horen, en hervindt de juiste maat van bescheidenheid, die in de stoere
378
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's