Wetenschap en rekenschap - pagina 494
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C. S A N D E R S / L . K. A. EISENGA
in een uitgewerkte vorm aan in zijn beschouwingen over de verhouding van geloof
en wetenschap, een thema dat hij evenals Kant en Brentano behandelde om de
empirische wetenschappen hun plaats te wijzen tegenover een geloofsovertuiging.
Wat als een rode draad door zijn werk heenloopt was de wens om het gerefor-
meerde volksdeel de weg te wijzen in de veelheid van nieuwe opvattingen die na
haar emancipatie uit de wijsbegeerte in de psychologie en de pedagogiek ontstaan
waren. Net zoals dat ook in rooms-katholieke kringen het geval was (zie bijv.
Holthuizen, 1935; Abma, 1979) keek men namelijk in gereformeerde kring met
enige huiver naar de empirische psychologie, wat deels te maken had met de
toenmalige sterke verzuiling en voor een ander deel met de vraag hoe men zich
moest opstellen tegenover de bevindingen van de zich als „onbevooroordeeld"
aandienende psychologie en pedagogiek. Moest men deze aanvaarden, of moest
men ernaar streven een eigen, op de Bijbel gebaseerde psychologie te ontwerpen?
Tegenover deze en dergelijke vragen nam Bavinck een veel genuanceerder en
moderner aandoend standpunt in dan Waterink dat na hem zou doen. Was bij
deze laatste een tendenties bespeurbaar om de psychologie ondergeschikt te ma-
ken aan de christelijke dogmatiek, Bavinck stelde daarentegen dat het wel zo was
dat „het religieus geloof woe/ eischen, dat de wetenschap ermede rekent", maar
dat „welk godsdienstig geloof het ware en zuivere is, door geen enkele aardse
rechtbank kan worden beslist. Dat moet tenslotte door ieder persoonlijk, in zijn
geweten, voor God worden uitgemaakt" (1904, p. 94). Hiermee maakte hij in
wezen een onderscheid tussen enerzijds de religie of de dogmatiek als een gefor-
muleerd systeem van geloofsuitspraken, en het geloof als een persoonlijke stel-
lingname of levensovertuiging anderzijds. Bij Waterink was van een dergelijk
onderscheid geen sprake, wat tot gevolg had dat hij de gereformeerde dogmatiek
tot leidend beginsel van de psychologie maakte. Bavinck maakte dit onderscheid
echter wel waardoor hij niet alleen de empirische psychologie een eigen plaats
toekende naast de religie, maar ook afstand nam van de visie als zou het geloofde
empirische psychologie overbodig maken: „Wie in Christus gelooft, is daarom nog
geen wetenschappelijk mensch; en wie niet gelooft, is nog geen leugenaar of
krankzinnige" (o.c, p. 32).
Wie dat stelde miskende naar zijn oordeel zowel het wezen van de Bijbel als dat
van de wetenschap. Ten aanzien van het eerste punt merkte hij op dat de Bijbel
niet geschreven was als een „tekstenrol of wetenschappelijk handboek" waaruit
men zonder meer een psychologisch systeem af kon leiden. Wat de Bijbel gaf was
daarentegen een beeld van de mens ,,in zijn oorsprong, wezen en bestemming",
een beeld dat niet in de taal van de wetenschap gesteld was maar, zoals hij het
uitdrukte, in de rijke taal van het leven: „Ze beschrijft ons, welke veranderingen in
dien mensch, die naar zijn wezen dezelfde blijft, door de zonde en de genade zijn
en worden aangebracht; ze volgt dien mensch onder deze veranderingen tot in de
diepste schuilhoeken van zijn hart, brengt aan het licht wat er in het verborgene in
omgaat.. ."(1920, p. 14).
Ten aanzien van het tweede punt merkte hij op dat wetenschap geen deductieve
488
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's