Wetenschap en rekenschap - pagina 251
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
N A T U U R K U N D E EN S C H E I K U N D E
3.3. De verheldering der problemen
In 1945 wordt R. Hooykaas (1906-) benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de
geschiedenis der natuurwetenschappen aan de V.U. (in 1948 gewoon hoogleraar).
Deze eerste leerstoel voor dit vak in Nederland kreeg een bijzonder accent door de
opdracht tot colleges aan alle studenten van de faculteit. Om het doel hiervan aan
te geven kan ik het beste Hooykaas citeren:^" „Het doel van de geschiedenis der
natuurwetenschappen kan (ook) niet zijn het bijbrengen van natuurwetenschap-
pelijke kennis. De natuurwetenschap is in tegenstelling tot b.v. de wijsbegeerte of
de theologie, een wetenschap waarin de theorieën van het verleden meestal geen of
weinig actuele betekenis hebben. Voorzover ze nog bruikbaar zijn, zijn ze, uit hun
historisch verband gerukt en bij de latere ontwikkeling van het geheel der weten-
schap aangepast, in de leerboeken opgenomen.
Dit sluit echter niet uit, dat de geschiedenis der natuurwetenschap van groot
belang is voor de vorming van de natuuronderzoeker. Zij draagt ertoe bij hem van
een vakman in technische zin tot een natuurfilosoof te maken. Juist het onhisto-
rische karakter van zijn studie stelt hem namelijk bloot aan een bewustzijnsver-
enging, waardoor hij gemakkelijk de humaniora kan negeren of zelfs gering-
schatten."
De publicaties en colleges van Hooykaas beslaan de periode van de middeleeuwen
tot 1900 en behandelen steeds de opvattingen en standpunten van de voornaamste
vertegenwoordigers van de scheikunde en natuurkunde ten opzichte van de in hun
tijd gangbare hypothesen en begrippen, waarbij hun religieuze stellingname mede
in de beschouwingen wordt betrokken. In zijn Gunning Lectures^' te Edinburgh in
1969 gehouden is een samenvatting te vinden van zijn onderzoek naar de rol van
de reformatie bij het ontstaan van de moderne natuurwetenschappen. Vooral wat
hij daarin schrijft over Calvijn is van belang voor de discussie over de verhouding
van de openbaring in de Bijbel en het gebruik van bijbelse gegevens in het
wereldbeeld. Calvijn blijkt niet te schromen in zijn exegese rekening te houden
met de eventueel foutieve meningen van bijbelschrijvers over de natuurver-
schijnselen.
Terugkerende tot de jaren na 1945 valt allereerst te vermelden een congres in 1946,
bij het 50-jarig bestaan van de Christelijke Vereniging van natuur- en genees-
kundigen in Nederland. Sizoo, voorzitter van deze vereniging, geeft in zijn ope-
ningstoespraak^^ een korte samenvatting van wat „de beoefening der natuur- en
geneeskundige wetenschappen bij het licht van Gods Woord" ten aanzien van
geloof en wetenschap betekent. De bepalende elementen ziet hij als: „het ten volle
deelnemen aan het wetenschappelijk leven van den tijd, doch niettemin den
tijdgeest te onderkennen en zijn uitingen kritisch te toetsen aan de normen van
Gods Woord; het rekening houden met de waarheden der Schrift omtrent het
begin en het einde der dingen, omtrent de door God gestelde orde in de werke-
lijkheid van het geschapene; erkenning van de onvolledigheid en gebrokenheid
van onze kennis, omdat de mensch een zondig schepsel is; maar evenzeer ver-
247
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's