Wetenschap en rekenschap - pagina 65
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR T H E O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
refereren. Voor die colleges prepareerde hij zich grondig. ,,Den Franschen slag
verstond hij niet. Hij had een behoefte om diep in de détails af te dalen. Als
onderzoeker minde hij het minutieuze".*^
Geesink was een typische nachtwerker. Hepp schrijft daarover het volgende: „Het
gebeurde wel, dat Kuyper hem voor een avondwandeling kwam halen. Geesink
wilde zich soms verontschuldigen, wijl hij met zijn colleges van den volgenden dag
nog niet gereed was. Hij moest dit en dat eerst nog doorlezen. Dan had hij een
vermaning in ontvangst te nemen. Hij moest meer rechtstreeks uit de beginselen
afleiden. „Jawel", dacht Geesink. Hij ging mee om Kuyper te plezieren, maar in
zijn studeerkamer teruggekeerd, greep hij naar de boeken, las door wat hij zich
had voorgenomen en deed het eenvoudig wat later worden. Hij vergeleek gaarne
de werkmethode van Kuyper en zichzelf door het klassieke beeld van de spin en de
bij; de spin die haar web weeft uit eigen binnenste en de bij, die honing puurt uit
de bloemen daarbuiten".**
Wat Hepp hier vertelt werpt licht op Geesink, maar ook op Kuyper en diens
studiemethode. Het is tevens een kostelijke illustratie van de wijze, waarop Kuyper
met zijn jongere collega's omging, cordiaal èn vaderlijk!
De eigen bijdrage van Geesink lag op het gebied van de ethiek, zijn liefste vak. In
zijn inhoudrijke rectorale rede uit 1897 over de ethiek in de gereformeerde theo-
logie constateerde Geesink, dat de beoefening van de ethiek in de gereformeerde
theologie tot op dat ogenblik een vrij povere figuur maakte. Hij verklaarde dat
daaruit, dat de periode van ontwaking en bezinning van deze theologie nog te kort
had geduurd om de ethiek als voltooid systeem reeds tegenover dat van andere te
stellen.*' En zijn doel was het om in deze situatie verandering te brengen, door
vanuit de gereformeerde beginselen een afgerond stelsel der ethiek op te bouwen.
In genoemde rede bood hij voor dit streven een solide historische grondslag. Het
daarin gegeven overzicht over de geschiedenis van de ethiek is nog altijd niet
overtroffen.
De 19e eeuw gaf een ontwaken van de belangstelling in de ethiek te zien, vooral
ook van filosofische zijde. De gereformeerde ethiek mocht volgens Geesink in
deze nieuwe bezinning niet achterbijven. Zij moet daarbij weer aansluiten aan
Voetius. Met Voetius had Geesink gemeen de mystieke grondtoon en de voor-
liefde voor rationele distincties. Toch heeft de gereformeerde ethiek zich naar de
overtuiging van Geesink te hoeden voor pure reproductie van het oude. „Door een
beter inzicht toch in het wezen van het scheppingsleven heeft de denkende mensch
onzer eeuw een oog gekregen voor de immanente kracht welke in de schepping
leeft en haar doet leven, en zien wij. Calvinisten, in die kracht de almachtige
en alomtegenwoordige kracht van God". Dat houdt in een betere kennis van
het organische. Daarmee moet de gereformeerde ethiek van onze tijd rekenen.
In de oude gereformeerde ethiek is de religieuze verhouding van de mens tot
God te uitsluitend als een rechtsverhouding gedacht, die berust op het feit, dat
God Schepper is. Dit is juist, maar men moet daarbij tevens honoreren, dat God
61
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's