Wetenschap en rekenschap - pagina 566
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. KLAPWIJK
zijn leermeester Geesink onderscheidt hij met Dooyeweerd op bijbelse grond
tussen God, wet en kosmos: God heeft zijn wet gesteld en opgelegd aan de door
Hem geschapen kosmos. Vollenhoven maakt deze onderscheiding van God, wet
en kosmos echter tot uitgangspunt voor, en niet in zijn filosofie; de wet is volgens
hem de „grens" voor de kosmos, dus ook voor het filosoferen daarbinnen.^" Het
onderzoeksterrein van de filosofie is met andere woorden de kosmos als subject
aan de wet van God (IP 16). Zonder meer filosoferen over God en Zijn wet zou een
grensoverschreiding zijn, is dus onmogelijk. Aan een filosofische Godsleer {theo-
logia naturalis) alsook aan een metafysische zijnsleer die God en mens omspant
(idee van de analogia entis) wordt met andere woorden de pas afgesneden (IP 14).
Op grond van mededelingen uit de Schrift (bijvoorbeeld Gen. 1 :,1) wil Vollenhoven
echter wel filosoferen over hemel, engelenwereld, verbondsgeschiedenis en wat
dies meer zij, als behorend tot de geschapen kosmos (IP 17, 76), terwijl Dooye-
weerd zoiets zou bestempelen als theologie. Voor het overige dringt zich de vraag
op, of Geesinks waarschuwing dat een eenzijdige nadruk op de relatie
God-wet-kosmos tot nomisme kan leiden, door Vollenhoven en Dooyeweerd
voldoende ter harte is genomen.
De consequent probleem-historische methode
Tenslotte nog dit. Evenals Dooyeweerd ging Vollenhoven in de geschiedenis der
wijsbegeerte uit van „grondmotieven" der onschriftuurlijke wijsbegeerte (CR 51).
Op grond van de drieslag God-wet-kosmos (waarbij God staat boven zijn wet voor
de kosmos) werd voor hem echter, anders dan voor Dooyeweerd, de alles beheer-
sende vraag te dezen: Waar hebben de niet-christelijke denkers God geplaatst?
Zodoende ontstonden er typologische onderscheidingen als van atheïsme, akos-
misme, pantheïsme, pankosmisme, partieel theïsme en partieel kosmisme
(CR 52, IP 14). Naderhand bleek hem evenwel (naar een mondelinge mededeling
aan schrijver dezes), dat te weinig denkers zich uitlieten over (de plaats van) God
en stelde hij als kernvraag: Waar hebben ze de wet geplaatst? Zo ontstonden
onderscheidingen als van subjectivisme, objectivisme en realisme als een nieuw
indelingskader voor filosofische concepties. Om aan de individuele verschillen
tussen de verschillende concepties volledig recht te doen, werd dit indelingskader
vervolgens hoe langer hoe meer verfijnd. Een neerslag van deze „consequent
probleem-historische methode" vindt men in successieve afieveringen van Vol-
lenhovens syllabus Conspectus Historiae Philosophiae en met name ook in de
eerste band van zijn Geschiedenis der wijsbegeerte (1950), welke handelt over de
praeplatonici.
In de loop van zijn lange leven heeft Vollenhoven met behulp van deze pro-
bleem-historische methode een gigantische stafkaart opgezet van enerzijds blij-
vende „typen" (verticaal ingetekende kolommen), anderzijds wisselende „tijd-
stromingen" (horizontaal aangebrachte kolommen): ze kruisten elkaar in dui-
560
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's