Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 335
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
van Julius' eigen gedachten naar buiten. Het proefschrift is opgedragen
aan zijn vader.
Gebruikelijk was het in die tijd niet dat aanstaande zendelingen een
theologische opleiding ontvingen. Aan voorbereiding en begeleiding van
zendelingen ontbrak nog veel. De zending was geen zaak van de kerk,
maar van particuliere genootschappen, die elk hun eigen bestuur, hun
eigen blad, eigen geldmiddelen en eigen ,ligging' hadden. Mede door de
grote afstanden en de trage communicatie per brief waren de zendelingen
bij de organisatie van het werk grotendeels op hun eigen inzichten aange-
wezen. Enthousiasme en geloofsijver konden veel gebreken in de kennis
van land, volk en taal overwinnen. Maar er zijn ook zendelingen geestelijk
en lichamelijk gebroken, doordat ze onvoldoende op hun taak waren
voorbereid en niet konden terugvallen op een thuisfront, waar althans
enkelen met de problemen van de praktijk op de hoogte waren. Wat dat
betreft had Juhus de beste leerschool bij zijn vader gehad. „Door Papa's
waarheidshefde ben ik zonder illusie gegaan, ik wist precies wat mij
wachtte en 't valt mij in zeker opzicht mêe" schrijft hij („ergens in junij
'82"). Maar ook hij moet na vijfjaar aan zijn vader schrijven: „Mijn
bestuur heeft mij nu vier keer geschreven. In Holland is u de enige die mij
schrijft" („Kersttijd 1884").
Na zijn promotie gaat hij eerst nog enkele jaren naar Edinburgh voor
een praktische medische opleiding. In de zending werd vaak via medische
hulp het eerste contact met de bevolking gelegd en het vertrouwen ge-
wonnen. Dan meldt hij zich aan bij het Java-comité voor de zending onder
de Madoerezen, aan wie nog nooit het Evangelie verkondigd was.
Op 3 september 1879 wordt hij in de Nieuwe Kerk te Amsterdam door
ds. Hasebroek in zijn dienst bevestigd^ en op 15 september vertrekt hij uit
IJmuiden, uitgeleide gedaan door zijn vader.
Het afscheid van zijn zoon heeft Isaac Esser aangegrepen. In een soort
droomtoestand liep hij van IJmuiden naar Santpoort „al gaande en wee-
nende".* En op 1 december 1879 sluit hij zijn autobiografische aanteke-
ningen af met de notitie: „Den 15en September 1879 was voor mij een
onvergetelijke dag. Ik heb toen te IJmuiden afscheid genomen van mijn
zoon Julius Pieter, die als zendeling voor de Madoerezen naar Indië ver-
trok. .. Een stil sober en geduldig man. In hem, den zwaksten mijner zonen
zal het blijken dat Gods Kracht in zwakheid wordt volbragt en dat die zijn
leven zal willen verliezen, het zal behouden. De Heer zegene hem met de
keur zijner zegeningen in Indië, opdat hij er doe wat zijn grootvader en
vader niet hebben kunnen doen — . . . iets degelijks vergelden voor onze
groote schuld aan de koloniën. En zegene de Heer al de mijnen en hunne
kinderen, behoudende ons geslacht door het duizendjarige Rijk heen, tot
op de nieuwe aarde die hij maken zal". Hij zou zijn zoon niet meer
terugzien.
Over Julius' zendingswerk kunnen we lezen in het Geïllustreerd Zen-
dingsblad.^ In zijn sobere verslagen besteedt hij ook aandacht aan land en
319
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's