Wetenschap en rekenschap - pagina 75
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR T H E O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
wordt in dit verband gedoeld op het feit, dat het ambt dienst is vanwege de relatie
tot Christus: Christus, die de Insteller is van het ambt blijft ook de Werker door het
ambt." Sillevis Smitt, die een handboek over de gewijde geschiedenis van het
Nieuwe Testament publiceerde, is evenals zijn voorganger reeds na een dienstpe-
riode van zes jaar op vijftigjarige leeftijd overleden. Over zijn hoogleraarschap is
weinig bekend. De weinige getuigenissen daarover laten doorschemeren, dat hij
als docent geen bijzondere indruk maakte.
Voor de nieuw-testamentische vakken werd de jonge Grosheide (1880-1972) be-
noemd. In zijn kring was hij voor deze taak ongetwijfeld de best gekwalificeerde.
Als theologisch student aan de V.U. volgde hij tevens het onderricht van de
classicus J.Woltjer, bij wie hij het candidaatsexamen in de klassieke letteren
aflegde. Meer dan alle andere hoogleraren, zo merkt D.Nauta op, moet juist
Woltjer hebben bijgedragen tot zijn wetenschappelijke vorming. ,,Duidelijk laat
die invloed zich onderkennen niet alleen in de taaiopvatting welke Grosheide
heeft voorgestaan, maar vooral ook in de wijze waarop hij als hoogleraar gewoon
was de door hem behandelde kwesties te benaderen en uit te werken. Vrijwel
steeds was hij er op uit die aan te vatten in het licht van bepaalde vaststaande
beginselen en langs die weg, zo al niet een oplossing aan de hand te doen, dan toch
er naar te zoeken."^' In 1907 promoveerde Grosheide bij Biesterveld. Bij de studie
voor de dissertatie en ook daarna ontving hij stimulansen van Bavinck." Een door
hemzelf verzorgde zelfstandige nederlandse bewerking van de grammatica voor
het griekse Nieuw Testament, die de amerikaanse geleerde A.T.Robertson (1912)
had samengesteld legt getuigenis af van zijn overtuiging, dat geen goede exegese
mogelijk is zonder grammatica.^* De inaugurele rede over nieuwtestamentische
exegese, waarmee hij in december 1912, enkele maanden na de verschijning van
de grammatica, zijn ambt aanvaardde bevestigt, dat hij erop uit was de exegese op
een solide grondslag te baseren. In deze rede spreekt Grosheide tegenover de eis
van „Voraussetzungslosigkeit" uit, dat de exegese als alle wetenschap uitgaat van
een apriori. Voor ons gereformeerden, aldus Grosheide, is dit het beginsel,
vanwaar we uitgaan: „de Heilige Schrift zoowel des Ouden als des Nieuwen
Testaments is in onderscheiding van alle andere geschriften het onfeilbaar Woord
van God, bekleed met absoluut gezag zoo over leer als over leven. Waar het dus
eigenlijk en alleen op aankomt, is de Schriftbeschouwing. Het antwoord, dat
iemand bewust of onbewust geeft op de vraag, wat denk ik van de Schrift, hoe ga ik
tot de Schrift, zal heel zijn exegese beheerschen."^' Hier hebben we, zegt Gros-
heide, de grondslag van alles en daarmee neemt hij een standpunt in, waaraan hij
heel zijn leven heeft vastgehouden.
Grosheide verdedigt in deze rede overigens krachtig de zelfstandigheid van de
exegese ten opzichte van het dogma en de dogmatiek. „Richt de exegese zich
uitsluitend naar het bestaande dogma, dan blijft de dogmatiek noodzakelijk op
hetzelfde peil; arbeidt ze, alsof de dogmatiek haar niet aanging, dan biedt ze aan
de dogmatiek nieuwe stof, die kan worden verwerkt." Wanneer nu het geval zich
71
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's