Wetenschap en rekenschap - pagina 258
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C C. J O N K E R
4. EPILOOG OVER: CHRISTELIJKE NATUURWETENSCHAP?
Het voorafgaande hoofdstuk geeft een schetsmatig overzicht van de verhouding
tussen de exacte natuurwetenschappen en de christelijke levens- en wereldbe-
schouwing. Hoewel door enkele kritische opmerkingen het standpunt van de
schrijver niet geheel verborgen blijft, leent zich deze wijze van behandeling niet
voor een meer positieve bespreking van de eigenlijke kernvraag: kan men van
christelijke natuurwetenschap spreken? Zo ja, wat is daarmede dan bedoeld? Zo
niet, wat is er dan te zeggen over de beoefening van deze vakken aan de Vrije
Universiteit?
Bij het ontstaan van de natuurwetenschap in de 17e eeuw heeft zij zich volgens
veler mening vrijgevochten van de invloeden van de kerk, de kerkleer en de
heersende filosofie. Sindsdien wordt zij zelfstandig of ook wel autonoom genoemd
ten opzichte van de leerstellingen van de kerk, zowel van de Rooms-katholieke als
de Reformatorische kerken. Deze zelfstandigheid van de natuurwetenschappen
vindt haar oorsprong in de natuurwetenschappelijke methoden. Deze methoden
betreffen niet de inhoud van deze wetenschappen, niet de resultaten, maar de
wijze, waarop deze resultaten gevonden worden. De methoden zijn wel bekend en
kort aan te duiden met de reeks: waarneming, meting, ordening, theorievorming,
voorspelling en hernieuwde experimentele toetsing.^' Deze reeks heeft alleen dan
een goede theorie tot gevolg als de experimentele en theoretische vraagstelling
gebruik maken van zodanige begrippen dat taaivorming óver en modelmatige
beschrijving van de verschijnselen mogelijk is. De gebruikte begrippen en theo-
rieën zijn niet onveranderlijk, maar worden gewijzigd of verworpen afhankelijk
van nieuwe verschijnselen of nieuwe metingen. Als men nu van de zelfstandigheid
van de natuurwetenschap spreekt, bedoelt men dat de beoefenaars van deze
wetenschap ongeacht hun geloofsovertuiging, hun onderscheiden wijsgerige of
politieke inzichten binnen de betrokken wetenschap eendrachtig samenwerken en
dat hun visies in de methodische beoefening van het vak niet tot uiting komen. Als
men nu reeds de eerste vraag wil beantwoorden is het duidelijk, dat men niet kan
spreken van „christelijke natuurwetenschap".
Is hiermede de zaak echter wel afgedaan? Kan men de natuurwetenschap af-
doende karakteriseren door haar methoden alleen? Dan worden nl. veel weten-
schappelijke en vóór-wetenschappelijke vragen niet gesteld en dus ook niet
beantwoord. De voornaamste wetenschappelijke vraag is: wat is de aard van de
met deze methoden verkregen kennis? Waarover gaat deze kennis? De belang-
rijkste voorwetenschappelijke vraag is: waardoor is het verkrijgen van deze kennis
mogelijk? We bespreken de context, waarin deze vragen beantwoord kunnen
worden.
De antwoorden op de eerste twee vragen zijn ogenschijnlijk zeer eenvoudig. De
verkregen kennis is abstract en betreft kennis over de natuur. Bij nadere be-
schouwing bphoeven deze antwoorden echter nogal wat toelichting en verdieping.
254
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's