Wetenschap en rekenschap - pagina 83
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR T H E O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
meer, eer was het tegendeel het geval. Zij sloot haar ogen voor ontwikkelingen
elders.""
In de tweede helft van deze periode vallen nog de benoemingen van drie mannen,
die voor de theologische faculteit van grote betekenis zouden blijken. Ieder op
eigen wijze bereidden zij de overgang naar een nieuwe fase voor en het grootste
deel van hun werk aan de faculteit speelde zich ook in die nieuwe fase af Wij
bespreken hun aandeel tot de wetenschapsbeoefening hier alleen voorzover het
voor deze periode van belang is en komen in het volgende onderdeel op hun
activiteiten terug.
In 1936 werd H.H. Kuyper opgevolgd door D. Nauta (geboren 1898), die het jaar
daarvoor met een monumentale studie over de 17e eeuwse theoloog Samuel
Maresius de doctorsgraad had verworven."' Met de keuze van dit thema stelde Nauta
zich in de traditie van de beoefening der kerkgeschiedenis aan de faculteit, die
immers gericht was op het exploreren van de „bloeitijd". Verschillende publica
ties, die hij daarna in deze periode liet verschijnen, bewegen zich eveneens op dit
terrein.
In 1939 werd J.H. Bavinck (18951964) zowel te Amsterdam als te Kampen
benoemd tot bijzonder hoogleraar voor de zendingswetenschap. Hij werd de eerste
protestantse hoogleraar in de missiologie van Nederland. De psychologisch ge
schoolde Bavinck had een lange staat van dienst achter zich in het toenmalige
Nederlands Oost Indië, waar hij werkte als pastor, zendeling en docent. In hem
leefde voort de geest van zijn oom Herman Bavinck: fijnzinnigheid en openheid,
nog versterkt door zijn ervaringen in de Oost, stempelden zijn werk.'^
In het najaar van 1940 inaugureerde G.C. Berkouwer (geb. 1903) als buitenge
woon hoogleraar. Zijn leeropdracht omvatte nieuwe theologie, encyclopaedic en
hermeneutiek. Berkouwer toonde reeds in zijn dissertatie van 1932 hoezeer hij het
vermogen bezat allerlei concepties van binnenuit te doorlichten en te analyseren."
Op het proefschrift volgde een boek over Karl Barth^" alsmede een studie over de
Schriftkritiek'', die eveneens een overtuigend bewijs leveren èn van de kennis èn
van het analytischkritisch vermogen van de auteur. In deze boeken uit de tijd vóór
zijn professoraat betoonde Berkouwer zich allerminst scholastiek a la Hepp, maar
wel nam hij een traditioneel standpunt in. Zo vertoont zijn werk over de Schrift
kritiek een uitgesproken apologetische tenderis. Vooral de latere ethische theolo
gie. Geelkerken en Barth worden bestreden — dezelfde opponenten, waartegen de
faculteit zich keerde. Belangrijk is, dat Berkouwer zich toen reeds niet alleen voor
Karl Barth maar ook voor de nieuwere roomskatholieke theologie intens inte
resseerde. Een blijk van die dubbele belangstelling is het thema van Berkouwer's
inaugurele rede, n.1. „Barthianisme en Katholicisme".'* Berkouwer's komst werd
begroet als een noodzakelijke aanvulling en vernieuwing van de systematische
theologie.
Het werk aari de faculteit werd overschaduwd en ook bemoeilijkt door de span
ningen en dreiging van oorlog en bezettingstijd. Gedurende het academische jaar
79
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's