Wetenschap en rekenschap - pagina 60
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. VEENHOF
transpositie" van aanzetten, die hij bij Calvijn aantrof, wilde Kuyper vindiceren,
dat het gehele leven, ook dat van wetenschap, cultuur en politiek, niettegenstaande
de zonde door Gods souvereine heerschappij wordt omvat en dat de Christen
derhalve zich niet in „doperse mijding" uit het wereldleven mag terugtrekken.""
Tenslotte merk ik wat Kuyper betreft nog op, dat hij op zijn colleges gedurende
deze twintig jaar alle loei van de dogmatiek heeft doorgewerkt. Kuyper had de
gewoonte eerst een paragraaf— in de zin van een korte samenvatting — te dicteren
en deze dan verder improviserend toe te lichten. Het door Kuyper besprokene is
opgenomen door studenten, wier dictaten naderhand met medeweten van Kuyper
maar zonder diens autorisatie werden gedrukt. Ze kunnen daarom slechts onder
voorbehoud gebruikt en geciteerd worden, afgezien nu van de letterlijk gedic-
teerde samenvattingen. Ook de hedendaagse lezer bemerkt al spoedig, dat de
dictaten van uiteenlopende kwaliteit zijn. Niettemin blijft de uitgave in boekvorm
haar — relatieve — waarde behouden."^
Rutgers legde de resultaten van zijn onderzoekingen voor een belangrijk deel vast
in zijn rectorale oraties, waarvan de noten doorgaans kwantitatief aanzienlijk
omvangrijker zijn dan de tekst zelf en een schat van informatie bevatten. Hij
concentreerde zich in zijn research op de vraag hoe het leven en samenleven van
de gereformeerde kerken in de zestiende en zeventiende eeuw geregeld was.
Kerkhistorische en kerkrechtelijke interesse waren daarin bij hem verstrengeld. In
naam van de naar zijn overtuiging bijbelse beginselen van kerkrecht en kerkorde,
die toen werden beleden en toegepast, streed hij tegen de organisatievorm, die de
Nederlandse Hervormde kerk in 1816 gekregen had. Tegenover de in de macht
van de synode culminerende kerkelijke hiërarchie stelde hij de zelfstandigheid van
de plaatselijke kerken. Deze zelfstandige kerken die uiteraard nooit „autonoom"
zijn, moeten naar de wil van Christus met elkaar gemeenschap oefenen tot on-
derling dienstbetoon. Deze gemeenschap, dit ,,verband", wordt vrijwillig aange-
gaan. Het is geen van boven af opgelegde organisatie maar een confederatie van
kerken, die allen van hun Heer een eigen ambtelijke institutie hebben ontvangen.
Dit is de kern van het Doleantie-kerkrecht, dat in Rutgers een geharnaste pleit-
bezorger bezat."^
V In zijn thetische en kritische uiteenzettingen werd Rutgers geleid door de over-
weging, dat de aard van het kerkverband zodanig moet zijn, dat Christus in zijn
kerk souverein is en als zodanig erkend wordt. De eenheid in gehoorzaamheid aan
het Woord Gods en in de trouw aan de belijdenis is de onmisbare en onopgeefbare
grondslag van het kerkverband. De eenheid in de reglementair vastgestelde ker-
kelijke vormen is daaraan ondergeschikt en niet altijd strikt noodzakelijk. In een
karakteristieke passage zegt Rutgers daarvan: „Het zou zonder twijfel gemakke-
lijker zijn, wanneer voor lederen toestand een gebiedend voorschrift aanwezig
was. Maar de gemakkelijkste weg is juist niet altijd de beste. In de 16e eeuw had
men nog den vollen indruk van het einde, waar die weg toe moet leiden; hoe het,
bij de velerlei schakeeringen van het leven, dan noodzakelijk worden moet; gebod
56
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's