Wetenschap en rekenschap - pagina 544
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
feite afkomstig uit het empirisme van John Locke Op een zeker ogenblik stapt
Kuyper echter over van de empiristische filosofie van Locke naar de „kritische"
filosofie van Kant, in zoverre hij het menselijk bewustzijn ziet niet als een passieve
waarnemer van gegeven relaties, maar als een actief vermogen om de geschonden
indrukken in eigen denken te relateren ,,het kader voor deze relatien is in ons
eigen bewustzijn aanwezig" Ondertussen verstaat Kuyper dit laatste ook weer niet
in de zin van Kants kritisch idealisme, alsof het de rede zelf is die de wetmatige
samenhang der werkelijkheid produceert Zoiets zou ook in notoire tegenspraak
zijn met wat hij eerder onder Gods schepperssoevereiniteit bleek te verstaan In de
lijn van E von Hartmann en anderen komt hij daarom uit bij een kritisch realisme
De relaties gelegd in het denksubject zijn aangelegd op en in zoverre ook een
reproduktie, een „indenken", van de logische verbanden, zoals die voorhanden
zijn in de objectieve wereld En deze objectieve relaties zijn gedacht door God als
oorspronkelijk Subject (EG II 22 sqq) Zo blijkt het eigentijdse kritische realisme
uiteindelijk weer een verankering te vinden in de eerder besproken scholastische
Logos-leer
Gemene gratie
Gememoreerd dient ook te worden Kuypers leer van de „gemene gratie" Met
deze leer ging Kuyper wederom terug op opvattingen van Calvijn Bij Kuyper
fungeert de gemene gratie-leer echter vooral als tegenhanger van zijn antithese-
leer Zoals we eerder opmerkten, beoogde de laatste de religieuze tweestrijd aan te
geven tussen de civitas Dei en de civitas terrena, die haar uitwerking zou hebben in
tweeërlei mensheid, tweeërlei cultuur- en wetenschapsontwikkeling Zo prikkelde
de antithese-leer enerzijds tot cultuurarbeid op christelijke basis, anderzijds tot
kritiek op met-chnstelijke cultuuruitingen Toch was Kuyper een man van de
wereld en heeft hij in het voetspoor van Calvijn ook altijd grote waardering aan de
dag gelegd voor de vruchten van een ongelovige cultuur voor de zedelijksheids-
beseffen van de Grieken, de rechtsregelingen van de Romeinen, de wetenschap-
pelijke ontdekkingen en kunstzinnige prestaties van de geseculariseerde westerse
cultuur enzovoort In zijn hoofdwerk De gemeene gratie heeft Kuyper dit alles met
Calvijn onbevangen toegeschreven aan Gods „gemene gratie", dit is aan Zijn
algemene genade'
Kuyper plaatst deze algemene genade naast en tegenover Gods bijzondere gena-
de Gods bijzondere genade is de ,,zaligmakende" genade, een genade bijzonder
van aard, voorzover ze de christen persoonlijk in het geloof ten deel valt Gods
algemene genade daarentegen is een algemene genadewerking van God in een
wereld die gelovigen en ongelovigen zonder onderscheid omvat Negatief gespro-
ken IS het doel van de gemene gratie de beteugeling van de zonde, de instand-
houding van Gods schepping, ook waar ze door de zonde tot in de wortel is
aangetast Positief gesproken is het doel van de gemene gratie de ontplooiing van
538
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's