Wetenschap en rekenschap - pagina 352
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
B. SIERTSEMA
plaats voor de taal als gave van God, volkomen goed door den mensch in den staat der
rechtheid ontvangen, in zijn val mede aan het zondebederf onderworpen, in Babel door
goddelijke gerechtigheid verward en verdeeld, en wisselend overal en altijd tusschen
opkomst en verval, veredeling en bederf, bloei en ontaarding" (op.cit.p.35).
Met dat al heeft Wille niet aangetoond dat de door hem genoemde „opkomst" en
„veredeling" en ,,bloei" niet soms ook zouden kunnen bestaan in een vergroting
van de eenvoud en economie en dus van de efficiëntie van een taal. Als taalhisto-
ricus had hij ook wat te weinig oog voor een feit dat zijn beide voorgangers zo
dringend hadden beklemtoond, namelijk dat alle schrift slechts een gebrekkige
weergave is en dat alle taal, alle taalsystematiek, op het gebruik in een context en
een situatie is aangelegd. Wille deelde voorts ook de vrees van velen die tegen
spellingwijziging zijn, dat deze verandering alle in de oude spelling geschreven
literatuur voor de latere generaties ontoegankelijk zou maken,
„dat zij daarom kunst en wetenschap, kerkelijk, staatkundig en maatschappelijk leven,
volksopvoeding en volkscultuur met groote schade bedreigt" (op.cit.p.2).
Deze vrees berust echter op een onjuiste vereenzelviging van lees- met schrijf-
moeilijkheden. Zij die een nieuwe spelling hebben geleerd kunnen inderdaad de
oude niet schrijven; maar met behulp van slechts enkele omstellings- en
uitspraakregels (b.v. „ch na 5 wordt in het midden en aan het eind van een woord
in het Nederlands niet uitgesproken", o.i.d.), kunnen zij de oude spelling wel
zonder moeite lezen. Wij kunnen immers ook met slechts weinige hulpregels
Vondel nog wel lezen, ook al zouden wij niet volgens zijn spelling kunnen schrij-
ven. Dat wij hem soms niet begrijpen, komt door de sindsdien veranderde uit-
drukkingen en woordbetekenissen, niet door de spelling.'"
W.J.H. CARON
In 1947 verschijnt er onder Wille's supervisie een proefschrift: Klank en Teken bij
Erasmus en onze oudste grammatici (Groningen — Batavia 1947), een prachtige
dissertatie. De schrijver: W.J.H. Caron. Zijn specialisatie: historische grammatica
van het Nederlands; zijn voornaamste interesse: klankleer en fonetiek, met name
historische fonetiek. Toen professor Wille in 1952 met emeritaat zou gaan, viel het
oog van de faculteit als vanzelf op deze bij hem gepromoveerde Caron. In een
schrijven stelde men aan Curatoren voor, hem te benoemen als opvolger van Wille
„voor het onderwijs in de Nederlandse en Oudgermaanse taalkunde". „De vraag,
aan wien het onderwijs in de Algemene Taalwetenschap moet worden opgedra-
gen, houdt de faculteit thans nog bezig", zo vervolgde de brief. Die vraag bleef
moeilijk, en tenslotte werd „volgens een nader schrijven van de faculteit" aan
346
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's