Wetenschap en rekenschap - pagina 452
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
o . KUIPER HZN
DE ONTWIKKELING TOT OMSTREEKS 1950
Elk van de hiervoor genoemde jaartallen is globaal bedoeld. Van de in de perioden
na 1950 te noemen beoefenaars van de sociaal-culturele wetenschappen hebben er
enkele al in de jaren dertig gepubliceerd (Parsons b.v.) maar op die periode niet
hun stempel gezet.
Men kan er natuurlijk eindeloos over twisten met wie de sociologie nu eigenlijk
begonnen is. Baxa b.v. begint met Plato en noemt vrijwel alleen filosofen.' Velen
vinden elkaar niettemin wanneer gezegd wordt dat tot de eersten die de sociologie
als afzonderlijke wetenschap wilden beoefenen mensen als Auguste Comte (1798
— 1857) en Herbert Spencer (1820 — 1903) behoorden. Comte mag dan geen erg
origineel denker zijn geweest, die veel van zijn leermeester De Saint Simon
overnam, hetgeen te gemakkelijker was omdat hij hem later diende als zijn secre-
taris, niettemin beoogde hij te komen tot een positieve sociologie, een afzonder-
lijke wetenschap.^ Het is vooral Spencer geweest die grote invloed heeft gehad op
de sociologiebeoefening in Amerika en ook in Nederland. Daarom moeten we een
ogenblik stilstaan bij zijn opvattingen.
Spencers denkbeelden waren positivistisch, waardenvrij: de wetenschap moest
zich zo objectief mogelijk gedragen, geëmancipeerd van theologische, politieke en
maatschappelijke vooringenomenheid. Wat de sociologie met name moest bezig-
houden was niet de ontwikkeling van allerlei ideeën maar de evolutie van sa-
menlevingen, sociale structuren en instituties. Naar zijn mening gold dit voor de
hele natuur en hij verwijst daarvoor veelvuldig naar alles wat de biologie al leerde
en past veel van haar begrippen toe op de sociologie. Hij meende dat de hele
natuur (anorganisch, biotisch en sociaal) in haar evolutie onderworpen was aan
wetten, die universeel toepasbaar waren.' Alles ging in de richting van het steeds
gecompliceerder worden der dingen, een toenemende differentiatie derhalve, die
gepaard ging met een toenemende integratie ervan. Zijn organicistische of biolo-
gistische blik op ook de samenleving deed hem zich nauw aansluiten bij Darwin en
wordt ook dikwijls aangeduid met de term sociaal darwinisme. Het sociaal dar-
winisme maakte naam met zijn unilineaire evolutiereeksen, zijn basisprocessen als
competitie, het overleven van de sterkste en de daarop terug te voeren selectie-
theorieën, aanpassing, paste het in ruime mate toe op het sociale. Cultureel-an-
tropologen als Bachofen en Tylor kregen befaamdheid vanwege hun evolutie-
reeksen. De hiaten in de bewijsvoering konden door later gevonden ,,feiten" de
reeksen niet plausibel maken, waardoor deze evolutieleer zich later stinkende
heeft gemaakt in de wetenschappen vooral toen b.v. de cultuurkringenleer
(Weense school) en de opvattingen over diffusie van cultuurelementen de verkla-
ring van allerhande ontwikkelingen veel aannemelijker maakten. Op het darwi-
nisme komen we nog terug bij de ontwikkelingen in Nederland en aan de Vrije
Universiteit. De oude evolutieleer mag dan heden ten dage verworpen zijn, het
neo-evolutionisme is in opkomst en krijgt steeds meer aandacht.
446
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's