Wetenschap en rekenschap - pagina 505
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE PSYCHOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Voor wat het punt van de methodologie en het geloof betreft zou dit zicht pas in de
jaren zeventig doorbreken, waardoor Wijngaarden's stellingname verdedigbaar
zou worden. Want wat toen ingezien werd was dat het op een terrein als de
persoonlijkheidsleer of de psychotherapie veel problematischer was om tot ob-
jectieve data in de zin van onproblematische basis-uitspraken (Popper) te komen
dan op een terrein als de functieleer. Omdat de achtergronden van dit toen
doorbrekend inzicht en de consequenties daarvan in 3. aan de orde gesteld wor-
den, laten wij deze hier verder rusten.
Wel kan men een voorafschaduwing daarvan vinden in de opmerkingen die
Sanders in 1962 en 1969 aan het probleem van psychologie en geloof wijdde.
Hierin stelde hij o.a. dat dit vraagstuk onoplosbaar zou blijven zolang zowel de
religie als de wetenschap bleven pretenderen dat zij ieder voor zich over ware
kennis van de werkelijkheid beschikten, en niet bereid waren om toe te geven dat
hun kennis van een geheel eigen geaardheid was en derhalve slechts binnen
bepaalde grenzen aanspraak mocht maken op geldigheid. Zich oriënterend aan
Buber's onderscheid tussen de Ich-Du en de Ich-Es relatie merkte hij in dit
verband op dat binnen de wetenschap „de werkelijkheid geen partner, doch object
is. De vraag naar het wezen van de werkelijkheid blijft, voor zover men weten-
schappelijk denkt, buitengesloten. De wetenschap bemoeit zich uitsluitend met
„werkingen", die men in het oog krijgt door, met behulp van methodologische
afspraken binnen de wetenschappelijke gemeenschap, het gegevene zodanig te
verengen, zoveel aspecten ervan te elimineren, dat de werkelijkheid hanteerbaar
wordt voor de wetenschap. De onderzoeker wil zich daarbij zoveel mogelijk in de
positie van een toeschouwer manoevreren, zodat hij af kan en moet zien in zijn
wetenschap van de persoonlijke waarde, die de dingen voor hem hebben, van het
verantwoordelijk zijn voor het gebeuren. De consequentie daarvan is, dat de
wetenschappelijke kennis van een andere orde is dan de geloofskennis. Bij dat
laatste gaat het om een geestelijk verstaan van het gegevene, (om kennis die
wortelt in) een zijnswijze der liefde" (1962, p. 9; 1969, p. 221).
Hieruit blijkt in de eerste plaats dat hij de pretentie van Waterink, namelijk dat de
psychologie over het wezen van het menselijk leven handelde, afwees. Naar zijn
mening benaderde de psychologie de mens vanuit een bepaald model — in con-
creto de mens als een zich gedragend organisme — wat impliceerde dat haar
uitspraken slechts binnen dat model aanspraak konden maken op wetenschappe-
lijke geldigheid. Maar in de tweede plaats blijkt hieruit dat hij ook de pretentie van
de religie afwees dat zij over een volledig beeld van de mens beschikte, dat dan,
zoals bij Waterink, als norm zou kunnen fungeren voor de wetenschappelijk-psy-
chologische kennis. Voor hem werd ook in de religie, net als in de Bijbel, met
behulp van veelal aan het dagelijkse leven ontleende metaforen gesproken over
iets dat zich in wezen aan iedere poging tot objectivering onttrok, namelijk de
relatie en de ontmoeting tussen God en de mens: „De mens komt daarin, ondanks
zichzelf, tot het ware zien en het ware horen. Het gaat hierbij om de diepste, de
meest rigoreuze zelfidentificatie. Alle diepe, vreemde bijbelse begrippen als schuld
499
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's