Wetenschap en rekenschap - pagina 558
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
op de voorgevormde maat van het voorhanden materiaal. Aan de andere kant
zette hij in kantiaanse trant uiteen, hoe het materiaal, in casu de taal, kritisch wordt
omgevormd, zodra het in typisch (taal)wetenschappelijke begrippen gevat wordt
(LS 8). In de werkwijze van de taalwetenschap zit met andere woorden een dui-
delijk subjectief apriorisch of constructief moment.
Als Pos naderhand zijn proefschrift Kritische Studiën über philologische Methode
aan de V.U. verdedigt, oriënteert hij zich niet meer zozeer op de kritische ken-
theorie van de neokantianen in al haar abstractheid als wel op de concrete feno-
menologische werkwijze van zijn leermeester in Freiburg Edmund Husserl. Zo
schrijft de jonge Pos dan een verhandeling over de methode van de filologie vanuit
een geheel andere aanpak, te weten vanuit een descriptieve analyse van de wijze
waarop een literaire tekst gegeven is. En het oogmerk hierbij is om de wezens-
structuur van bepaalde individuele taalverschijnselen en van een concrete tekst in
relatie èn tot de schrijver èn tot de uitlegger fenomenologisch op te helderen. Toch
blijft de kritisch-neokantiaanse instelling doorwerken, inzoverre fenomenologie
voor hem niet enkel descriptie doch eigenlijk tevens constructie is, anders gezegd,
omdat de fenomenologie het aanschouwelijk gegevene niet zonder meer beschrijft
maar het veeleer in haar beschrijvende werkwijze tot aanschouwing brengt en met
name wat de taal aangaat, eerst zicht verschaft op de ons zo vertrouwde maar
daarom ook zo weinig bewuste taalvormen en spraakgegevens."
Men kan er zich in eerste instantie over verbazen, dat de kentheoretische en
kritische bezinning op de structuur van de taalwetenschap en de onderstellingen
van kennis en taalbewustzijn Pos zo weinig in aanraking gebracht lijken te hebben
met het vragencomplex van zijn filosofische voorgangers, ik bedoel, met de vragen
rondom geloof en rede, antithese, christelijke mens- en wetenschapsbeschouwing
enzovoort, waarbij de onderstellingen van kennis en wetenschap juist telkens in
het geding waren. Pos zegt weliswaar in het woord vooraf van zijn V.U.-dissertatie
te willen pogen in de geest van Geesink „het kritische der wijsgeren met het
realisme der Calvinisten te doen samengaan" (KS vi). Hij verwijst bovendien in
zijn inaugurele oratie over Algemene taalwetenschap en subjectiviteit (1924) naar
woorden van Woltjer over „de kracht van de Logos" (VG41). Toch doet de
context telkens eerder denken aan Husserls idee van de logos, aan Husserls parool
van „strenge Sachlichkeit" dan aan echt of vermeend calvinisme (KS viii). Men
kan zich overigens vooistellen, hoe een modern taalfilosoof als Pos met Woltjers
filologisch bemantelde maar augustijns-thomistisch aangeklede Logos-leer zich
aan de V.U. wel enigszins in de kou voelde staan.
In 1932 werd Pos hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam in de theoreti-
sche wijsbegeerte en geschiedenis der wijsbegeerte. Voor Pos een diepgaande
verandering! Thans kon hij zich met behoud van zijn filologische interesse wijs-
gerig uitleven. In dit verband dient tevens vermeld te worden, dat Pos mede ten
gevolge van zijn positiebepaling in de zogenaamde kwestie-Geelkerken zich ver-
wijderd had van de toen vigerende inzichten in de Gereformeerde kerken, zich ook
vervreemd had van het geestelijk milieu aan de V.U. Nadien ontwikkelde hij zich
552
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's