Gesprekken over honderd jaar Vrije Universiteit - pagina 65
er en vooral mijn moeder, en die was goed gereformeerd.
Mijn broer Henk was al „afgedwaald", zoals ik zei, en
Herman was in die jaren niet thuis.
En als ik nu praat over mijn eigen culturele leven, nou, dat
begint bij gedichten. Vrij laat overigens.... Ik ben met
alles laat geweest. Ik ben een laatbloeier. Ik begon met de
gedichten van Jan Prins mooi te vinden. Maar ik moest
— waar dat vandaan komt weet ik niet — van kindsbeen af
aanleg hebben gehad voor versjes opzeggen en lezen.
In de tweede klas van de lagere school moest ik psalm 68
leren, het zondagse psalmversje dat ik maandag op school
moest opzeggen, het was vers 7 toen:
Gehjk een duif door 't zilverwit,
En 't goud, dat op haar veedren zit.
BIJ 't licht der zonnestralen.
Ver boven andre vooglen pronkt.
Zult gij, door 't godlijk oog belonkt.
Weer met uw schoonheid pralen
En dat vond ik zó mooi! Ik denk dat dat mijn eerste
poëtische ontroering is geweest, al begreep ik er niet veel
van. Ik dacht: dan moet ik ook die hele psalm, alle verzen,
uit mijn hoofd leren! En op maandag kende ik zowaar alle
zeventien coupletten. Ik onthield vroeger alle gedichten die
ik mooi vond.
Het begon dus met een psalm, wel aardig. Ik weet nog dat
ik er op school een potlood voor kreeg. Het is wel wat
nutteloos al die zeventien versjes uitje hoofd leren, maar
ja, zo ging dat toen.
Nou goed... verder was ik een hartstochtelijk lezer. Dat
doen mijn kinderen ook: lezen, lezen, lezen. Ook wel
ketterse lectuur. Maar ik dwaalde niet helemaal af van 't
christelijk geloof, zo in de zin van: 't kan niet waar wezen!
Dat was helemaal niet het geval. Alhoewel, helemaal
niet... dat is misschien weer wat te absoluut gesteld, want
er was natuurlijk het moment dat je de dominee ging
pesten met vragen als: met wie trouwde Ka'in, en dat soort
flauwigheden.
En daarachter stak natuurlijk een diepere twijfel, onzeker-
heid, hoe wil je het noemen, die nooit meer overgaat, die
onze vaderen bij de zonden rekenden en die wij begrijpen
als een component van ons geloof.
Maar het ging mij toen vooral tegen de logica van de
gereformeerde waarheid, het sluitende; ik begreep dat 't
leven niet zó dor kon zijn als ik het om mij heen wel
61
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's