Wetenschap en rekenschap - pagina 371
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE VRIJE UNIVERSITEIT EN DE G E S C H I E D W E T E N S C H A P P E N
mus de ogen geopend voor de enorme mogelijkheden, die de Nederlandse ge-
schiedenis aan zijn sociaal-economische interessen bood.'^ Meer begaafde jonge-
ren raakten onder de bekoring van dit vak. W. van Ravesteyn was Posthumus
voorgegaan, J.G. van Dillen, H.J. Smit en Z.W. Sneller zouden weldra volgen. De
invloed van Marx was aan die ontluikende belangstelling niet vreemd. Van Ra-
vesteyn, Posthumus en Van Dillen hadden al in hun studentenjaren voor het
socialisme gekozen.'^ Smit en Sneller bewezen dat de verbinding niet noodzakelijk
was, maar wel gold voor allen, dat ze zich internationaal zouden moeten oriënte-
ren. Het buitenland, Duitsland vooral, was de Nederlanders hier ver vooruit.
Gosses' dissertatie over „Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen "
was vrucht van een studieverblijf in Marburg en Wenen. Van Dillens proefschrift
over „Het economisch karakter der middeleeuwsche stad" is een toetsing van
Duitse wetenschap, de Stufentheorie van Karl Bücher, toen in de hoogste mate
actueel. Thans geldt dat minder. Het nieuwe studieveld zou ook later nog wel
voorbeelden leveren van tamelijk vergankelijke systeembouw.
Duitse hulp vroeg ook de studie van de middeleeuwen. De enige Nederlandse
mediaevist van formaat, I.H. Gosses, had zijn scholing in Duitsland voortgezet.
Hulpwetenschappen als paleografie en diplomatiek werden aan de Nederlandse
universiteiten nog niet onderwezen.'" De benoeming van de Duitser Oppermann
te Utrecht zou daarin verandering brengen. Oppermann kwam in 1904, en de
eerste resultaten werden reeds in dit tijdvak geboekt. Doch Oppermanns aanwe-
zigheid zou pas in de jaren twintig zeer nadrukkelijk blijken.
Kunstgeschiedenis omstreeks 1900
De kunstgeschiedenis bewoog zich buiten de hoofdstroom, en anders dan de
sociaal-economische geschiedenis is zij daarin ook nooit terecht gekomen. Voor
beide heeft die gescheiden ontwikkeling nadelen gehad. Buiten Huizinga hebben
weinig historici de geschiedenis van de beeldende kunsten in die van de cultuur in
ruime zin weten te integreren. Noch Fruin noch zijn leerlingen hadden de student
met belangstelling voor schilderkunst en architectuur veel te bieden. Toekomstige
kunsthistorici treft men onder hun discipelen niet aan. D.C. Roëll heeft het in
Utrecht geprobeerd, maar struikelde over het toen nog verplichte Gotisch.'^ Toen
werd het de juridische faculteit, waar ook H.E. van Gelder en Nicolaas Beets
opgeleid waren. Anderen doorliepen de Akademie voor Beeldende Kunsten te
Amsterdam, of behaalden een akte MO tekenen. Jan Six deed het eerste, Huib
Luns en W.A.E. van der Pluym het tweede." Frits Lugt en A. Bredius waren pure
autodidacten. Wie een vakopleiding wilde moest naar het buitenland. C. Hofstede
de Groot promoveerde in 1891 in Duitsland over Houbraken, en werd daarmee de
eerste Nederlander, die een kunsthistorische dissertatie had geschreven."
De Nederlandse universiteiten hadden voor hem geen plaats. Leiden bood hem in
1907 een extraordinariaat aan, maar Hofstede de Groot wilde alleen een post als
365
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's