Wetenschap en rekenschap - pagina 321
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE AARDWETENSCHAPPEN AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
naar menselijke maat toch zeer lange periode van duizenden tot enkele miljoenen
jaren. Gedetailleerd inzicht in de vorming van een dergelijk gebied onder uiter-
aard wisselende sedimentatiecondities in de tijd, onder invloed van zeespiegelni-
veau, klimaat en begroeiing en van wisselingen in het achterland kan dan slechts
worden verkregen via de historisch-geologische onderzoekmethode: door uit de in
de gesteenten bewaarde documenten van het verleden de wordingsgeschiedenis te
reconstrueren.
De periode waarover de genese van de verschillende aspecten van het Noord-
west-europese laagland zich voltrekt en waarvan de documenten aan of nabij het
oppervlak toegankelijk zijn — soms tot enkele tientallen, meestal slechts tot luttele
meters diepte — is de jongste periode uit de geologische geschiedenis, de Kwartaire
periode. Het jongste deel, het z.g. Holoceen, betreft de tijd tot zo'n 10.000 jaar
vanaf heden, het oudere tijdvak, het Pleistoceen, gaat tot ca. IVi miljoen jaar terug.
Het Pleistoceen betreft het tijdvak van de Kwartaire IJstijd, waarin glaciale en
interglaciale fasen elkaar afwisselen. Het Holoceen is het korte tijdvak erna,
waarin de mens de ontwikkeling meer en meer gaat beïnvloeden en zo een steeds
belangrijker geologische factor wordt, maar waarin anderzijds juist ook hetfy-
sisch-geografisch aspect van het oppervlak als woon- en werkplaats van de mens
sterk naar voren komt. Kwartairgeologie als onderdeel van de historische geologie
en laaglandgenese als historische fysische geografie zijn daarom uit de aard der
zaak nauw met elkaar verweven.
Waar de prehistorische en de historische mens een rol speelt in de genese van de
lage landen ontmoet de kwartairgeoloog-laaglandgeneticus vanzelfsprekend ook
de archeoloog, die uit de in de aarde begraven resten en sporen van menselijke
activiteit zijn bijdrage aan de geschiedenis van de mens levert. Interdisciplinaire
contacten zijn er daarom in de wetenschapsbeoefening niet alleen tussen geologie
en fysische geografie, maar ook van beide, in het bijzonder echter de fysische
geografie, met de archeologie.
Voor het wetenschappelijk onderzoek op fysisch-geografisch gebied — hier dan
beperkt tot de laaglandgenese — geldt haast voor de gehele periode '60-'80, dat de
optiek, de „scope", het gezichtsveld weliswaar fysisch geografisch was, maar dat de
reconstructie van het wordingsproces van het laagland in sterke mate berustte op
de toepassing van geologische methoden.
Het onderzoek is in de eerste jaren langzaam op gang gekomen waarbij, naast
allerlei andere zaken, het onderwijsgebonden karakter een belangrijke rol speelt.
Voor het verzamelen van de nodige gegevens over relatief grote gebieden zijn vaak
vele jaren nodig aleer voldoende materiaal is bijeengebracht om tot een verant-
woord resultaat in een publicatie te worden verwerkt. Dat materiaal kan ook hier
slechts aangebracht worden indien voldoende studenten gedurende een aantal
zomers bij het verzamelen daarvan in het kader van het voor het onderwijs
verplichte veldwerk hun bijdrage hebben geleverd.
Het eerste onderzoek betrof de ontwikkeling van het zeekleigebied van de huidige
provincie Groningen, dat in 1964 werd gestart en in 1974 door W. Roeleveld"
315
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's