Wetenschap en rekenschap - pagina 243
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
N A T U U R K U N D E EN S C H E I K U N D E
nische, organische en fysische scheikunde.
In de tweede helft van de 19e eeuw worden de scheikundige elementen, niet alleen
als duidelijk onderling verschillende atoomsoorten vastgesteld, maar ze worden
ook systematisch naar hun eigenschappen gerangschikt in het periodiek systeem.
De hekkesluiters vormden de edelgassen en de zware radioactieve elementen zoals
radium. De modellen van Kékulé en van 't Hoff voor organische moleculen
werden ontworpen. De enkele en dubbele bindingssymboliek in een plat vlak en in
de ruimte kwamen het voorstellingsvermogen van de chemici te hulp bij het
denken over de structuur van de moleculen. Tegelijkertijd worden andere pro-
blemen aangepakt. Hoe ontstaan moleculen uit atomen? Welke reactie-mecha-
nismen spelen een rol? In 1904 vertelt Bakhuizen van den Brink in een rectorale
rede voor de Universiteit van Amsterdam over de moeilijkheden bij het bestude-
ren van de zeer snel verlopende reacties en het voordeel dat het onderzoek van
evenwichten kan opleveren. De uitbreiding van de schijnbaar eenvoudige be-
schouwingen over aggregaatstoestanden, tot de veel flexibeler leer van de fasen,
geïntroduceerd door Gibbs, blijkt een belangrijke stap vooruit te zijn. Het onder-
zoek van aggregaatstoestanden met veel componenten, die in de ordening van hun
moleculen verschillen, wordt hierdoor gestimuleerd.
Omstreeks 1920 begint de ontwikkeling in de scheikunde die meer eenheid brengt
in de basisconcepties over de aard van de chemische binding. De denkbeelden
over de electrostatische ionogene benadering van valentie-krachten, maakten een
systematische ordening van het onoverzichtelijke feiten-materiaal in de anorga-
nische chemie, op kwalitatieve basis, mogelijk. Spoedig volgt de toepassing van de
pas ontworpen quantum-mechanica op de homo-polaire verbinding van twee
waterstofatomen tot één molecule, waarbij de potentiële energie verbonden met
de plaatswisseling der beide electronen de extra energie, die de binding bewerkt,
oplevert. De uitbreiding van deze opzet tot veel-electronensystemen wordt de
centrale gedachte voor een nieuwe periode in de organische chemie.
Een eerste voorbeeld van de nog sterk vereenvoudigde rekenmethoden, is de z.g.
M.O.-methode van Hückel, die belangrijk bijdraagt tot het begrijpen van de
electronenstructuur van grote organische moleculen zoals benzeen. Hierdoor
ontstaat de nieuwe onderafdeling van de scheikunde: de theoretische scheikunde.
Na 1950 gaat de chemie van een hoofdzakelijk empirische wetenschap al meer
over in een wetenschap, waarbij vanuit enkele centrale concepties, de theorievor-
ming en de experimentele bevestiging elkaar afwisselen.
Deze ontwikkeling had zich reeds eerder voltrokken in de fysische scheikunde. De
spectroscopische en thermochemische methoden — gebruikt om de structuren van
de moleculen te vinden — werden na 1945 sterk uitgebreid door het overnemen
van de nieuwe fysische meetmethoden, die op resonantie-verschijnselen berusten.
Het is nü de magnetische wisselwerking tussen de electronenspins onderling en
tussen de electronenspin en de kernspin, die via spectroscopische meting zeer
nauwkeurig informatie over de moleculaire structuren geeft.
Bijna tegelijkertijd ontstaat een nieuwe tak aan de zeer gevarieerde boom van
239
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's