Wetenschap en rekenschap - pagina 344
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
B. SIERTSEMA
„dat men ten onrechte bij de beschouwing van de taal uitgaat van de veronderstelling dat
het enkele woord, en zoo ook in het denken de afzonderlijke voorstelling of het enkele
begrip, de oorspronkelijke eenheid zou zijn. Hel denken zowel als het spreken gaan uit van
organische eenheden, die niet uit losse deelen zijn opgebouwd, maar wel door analyse in
deelen kunnen worden ontbonden" (p. 19/20, cursief BS). „De functie van . . . het enkele
woord . .. wordt door deze beschouwing geenszins als van geringer beteekenis geacht; zij
legt er alleen den nadruk op dat het deze functie verricht in het verband van den zin" (p.
23).
En „zin" is hier de levende, gesproken zin (p. 33), waarbij intonatie, timbre,
gelaatsuitdrukking en gebaar het gesprokene mede bepalen. Bij een dode taal
moet men trachten vanuit het geschrevene deze eens levende gesproken taal te
bereiken; bij de hermeneutiek wordt „de tussenschakel van het gesproken
woord . . . te dikwijls voorbijgezien". Wij moeten onderkennen
„dat de philologie uit haren aard gevaar loopt te worden wat men „een papieren weten-
schap" zou kunnen noemen, terwijl zij meer dan eenig andere eene wetenschap van den
geest en het levende woord, den logos, behoort te zijn" (p. 39).
Natuurlijk is dit, vooral bij een dode taal, een onbereikbaar ideaal, maar
„aan dit ideaal moet worden vastgehouden door een ieder, die vrijwillig de taak op zich
neemt, de volkomenste openbaring van het menschelijke geestesleven te doorgronden en
voor anderen in helder licht te stellen" ( p. 58).
Bij alle verschil met een hedendaagse benadering van de door Woltjer aan de orde
gestelde zaken treffen zo toch ook telkens weer overeenkomsten, met name in de
keuze van wat als belangrijk wordt gezien. Daar is de nadruk op de gesproken taal
als primair, op intonatie en andere facetten van het musische aspect, op context en
situatie; op het functionele karakter van taalgebruik; daar is het stellen van het
primaat van de zin of de uiting boven het enkele geïsoleerde woord; van de „usus"
(de wijze waarop de mensen in werkelijkheid spreken) boven wat de grammatici
voorschrijven; daar vinden we zowaar ook al opgemerkt wat 50 j a a r later door
Chomsky met zoveel nadruk zou worden herhaald, dat
„reeds uit de taal van nog zeer jonge kinderen, b.v. van 2 a 3 jaar, (blijkt) dat zij niet slechts
naspreken, maar dat de woorden voor hen symbolen van voorstellingen of gedachten zijn,
die zij min of meer zelfstandig gebruiken" (p. 25).
Onvermijdelijk komt Woltjer ook te spreken over „de verhouding van het men-
selijke tot het Goddelijke W o o r d " (p. 60) en over de vraag:
„is het menschenwoord langs den weg der evolutie uit de uitingen, die het dier aan zijn
voorstellen, voelen en willen geeft, opgeklommen, of is het uit de prototype, in het godde-
lijk wezen zelfbestaande, door de schepping, afgedaald".
338
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's