Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 26
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
Universiteit. Toen werd bepaald: „Aan ieder der hooge scholen van Ley-
den, Utrecht en Groningen, zal de jaarlijkse begrooting harer uitgaven een
ruime som worden toegestaan tot het aankoopen van de meest belangrijke
werken, die zoowel binnen het Rijk als buiten 's lands uitgekomen zijn of
verder uitkomen zullen". Van een ruime som is bij de Vrije Universiteit
geen sprake en Curatoren krijgen niet de instructie, die in bepahng 175 van
het Organiek Besluit werd gegeven: „Curatoren der hooge scholen zullen
zich onmiddellijk na hun benoeming onledig houden, om de bruikbaar-
heid der bibliotheken zoo veel mogelijk te vermeerderen".
Pas nadat in 1918 voor de geschiedenis dr. A. Goslinga en dr. A.A. van
Schelven als hoogleraar en voor het Nederlands J. Wille als lector optre-
den, komt er langzamerhand verandering. Daarom moet worden betreurd
dat in 1880 geen hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis benoemd kon
worden. Curatoren hebben 14 juni 1880 al het volgende daarover aan
Directeuren geschreven:
„Bij de nadere behandeling van de regeling der lessen welke aan de Vrije Universiteit
zullen worden gegeven, is ons bij vernieuwing gebleken dat er onmiskenbaar behoefte
bestaat aan eenen Leerstoel voor de Geschiedenis des Vaderlands, en aan eenen voor de
Grieksche en Latijnsche taal. Zonder deze vakken blijft er in het onderwijs eene schade-
lijke gaping, waarin zoo mogelijk moet worden voorzien".
Kuyper heeft gepoogd een hoogleraar geschiedenis te vinden. Hij vroeg
aan de Leidse hoogleraar Robert Fruin, de leermeester van Kuyper en
Rutgers beiden, om zijn oordeel over het proefschrift van dr. L. Wagenaar.
In het Kuyperarchief is een lange brief van Fruin van 7 december 1880 te
vinden, waarin hij Kuyper met de opening van de Vrije Universiteit ge-
lukwenst.^" Fruin schreef:
,.Ik voor mij hunker naar tegenspraak en hoe klemmender hoe liever; zoo scheid ik het
onjuiste van het juiste in mijn voorstelling en word te vaster van de waarheid overtuigd.
Om die reden verheug ik mij van ganser harte in het réveil van de katholieke zoowel als
van de calvinistische anti-revolutionairen... Zoo zie ik dan ook inet vreugde het oprichten
eener calvinistische universiteit aan en ik hoop van ganser harte, dat zij zich staande zal
houden".
Fruin heeft de toegezonden dissertatie met grote zorgvuldigheid gelezen.
Maar hij durft niet tot aanstelling van Wagenaar te adviseren.
„Ik zou U zo gaarne een degelijk ambtgenoot op den historischen leerstoel toewenschen:
een tweeden Groen van Prinsterer, die den eerste nog daarin overtreft, dat hij de ge-
schiedenis van vóór de Reformatie even goed als de latere kent. . . Ik durf waarlijk niet
adviseren. Ik zou tot afwachten van een tweede proeve raden, ware het niet, dat ik evenals
gij overtuigd ben van het noodzakelijke eener spoedige vervulling van dit leervak".
Directeuren besloten 7 januari 1881, toen er geld was om nog twee hoog-
leraren te benoemen, de klassieke talen en de rechtsgeleerdheid vóór te
laten gaan. Voor de bibliotheek is dat geen gelukkige beslissing geweest.
In de instructie voor het Bestuur en de instructie voor Curatoren door
10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's