Wetenschap en rekenschap - pagina 556
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
apologetische bewijsvoering nodig is maar nooit aan het christelijk geloof vooraf
kan gaan (GD I 480-484). De bewijzen inzake Gods bestaan en openbaring noemt
hij dan ook ontoereikend, hij voegt er dit merkwaardige woord aan toe: „Maar als
bewijzen zwak, zijn ze sterk als getuigenissen" (GD II 73). Enerzijds ziet Bavinck
dus, zo redenerend, geen logisch noodzakelijke denkweg van het schepsel naar de
Schepper, anderzijds wil hij het logisch denken niet afgrenzen van en tegenover
God. Aan het wijsgerig denken zijn met andere woorden qua talis grenzen gesteld,
maar het zijn open, geen gesloten grenzen. De wijsbegeerte kan niet bewijzen. Zij
kan wel verwijzen naar wat haar eigenlijk te boven gaat. In die zin vormen de
Godsbewijzen bij Bavinck een teken en getuigenis — voor het oog van het geloof,
niet voor het orgaan van de rede! — van Gods algemene openbaring, die zich
nergens onbetuigd laat, ook niet in de verwijzende structuur van het wijsge-
rig-wetenschappelijke denken. Me dunkt, wat Bavinck in zijn beste momenten
voor ogen heeft gehad is niet zozeer een metafysische als wel een transcendentale
filosofie geweest, een filosofie die tast naar eigen bestaansgrond zonder zich aan de
laatste te vergrijpen."
Wijsbegeerte van de mens
De boven aangegeven spanningen in Bavincks wijsbegeerte herhalen zich in de
wijsgerige mensbeschouwing van zijn psychologie en pedagogiek. In principe kiest
hij zijn uitgangspunt in „de Christelijke philosophic", ja, in de Schrift (PB 60, 87),
in de praktijk sluit hij zich veelal aan bij de thomistisch-scholastische en dat is
eigenlijk de antiek-aristotelische antropologie, met name in zijn Beginselen der
psychologie (1897). Met alle gevolgen van dien! De mens wordt dualistisch ge-
schetst als bestaande uit een lichaam en een ziel, als burger van een zinlijk en een
ideëel rijk (PB 11 sq, 47 sq). Hierbij wordt de ziel in aristotelische zin gezien als het
vormbeginsel van het stoffelijk lichaam. Anders dan de ziel van plant en dier is de
ziel van de mens rationeel. Ze vormt bovendien in thomistische zin een eigen
substantie (BP42, 43), toegerust met de twee vermogens van kennen en begeren
(BP 54 sqq). Kortom, de mens is wederom, evenals bij Kuyper en Geesink, gevat
als samenvoeging van twee incomplete substanties (BP 41).
Toch heeft ook Bavinck telkens pogingen ondernomen om tot een meer schrif-
tuurlijke visie op de mens te komen. Ook het lichaam wil hij zien als behorend tot
het wezen van de mens. En dat de mens geschapen is naar het beeld van God raakt
zijns inziens dan ook niet alleen de geest maar eveneens het lichaam van de mens.
In Beginselen der Psychologie betrekt Bavinck dit beeld-zijn ondertussen niet op de
stoffelijke bestanddelen, slechts op de „vormelijke volmaaktheid" van het men-
selijk lichaam als orgaan van de ziel (BP 9). In de Gereformeerde dogmatiek dringt
hij daarentegen deze hylemorfistische ontologie naar de achtergrond en stelt hij,
dat het beeld Gods „over den ganschen mensch zich uitbreidt" (GD I 596, 603).
Er is nog meer te melden. In zijn „Philosophic desgeloofs"il9\S) en elders schetst
550
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's