Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 344
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
kunnen aannemen, maar het botst telkens met mijn ervaring en leven, en ik
belijd alleen wat ik beleven kan — Ik geloof dat de dingen hier op aarde
niet geschieden naar Gods wil, wel dat ze eenmaal het einddoel der
schepping Gods bereiken, maar nu zijn ze flagrant soms in strijd met Gods
wil, en daarom bid ik: „Uw wil geschiede!" ook door mij, want ik wil graag
Gods wil doen maar de duivel heeft gemaakt such a devil of a state, van
deze wereld dat ik heqsch, duizendmaal niet weet wat Gods wil is tegen
ééns wel — Nu komt dat allemaal wel terecht, en ik vertrouw dat om Jezus
wil ook mijn arme ziel gered is, maar ik wou wel graag dat mijn werk geen
stoppelen en stroo werd, want dat verbrandt, en het zal stoppelen zijn, als
het Gods werk niet is, en God werkt niet als ik niet doe en ben wat en waar
Zijn wil het wil — Zoo draai ik altijd in een kringetje — Gereformeerden
zijn er een boel beter aan toe. Maar ik geloof toch niet dat het waar is, en als
ik niet oprecht ben, raak ik van de wal in de sloot. Begrijpt ge?" (24-4-81).
Deze roepingskwestie komt ook in latere brieven aan de orde, maar dan
niet meer zo tegen de achtergrond van persoonlijke onzekerheid. Want al
tegensputterend komt Julius toch onder de indruk van Elisabeths brieven.
Hij schrijft over „je brief die me zoo'n goed heeft gedaan dat ik huil en lach
tegelijk. Ik had het zoo nodig... "(12-2-81) en: „'t geeft mij telkens wonder,
hoe gij mij tot zooveel ontboezemingen hebt weten te verlokken."
(12-2-81).
Dat kon ze, omdat ze van hem hield en achter zijn geëtaleerde twijfels
zijn verborgen idealen bleef zien. De brief waarin ze hem dat probeert
duidelijk te maken is het hoogtepunt van haar „pastoraat". „Luister eens.
Een kleine jongen voelt zich niet heel gelukkig. Hij kan niet zooals andere
kinderen recht vrolijk zijn, hij voelt zich niet recht gezond, en ook dikwijls
eenzaam en verlaten en geen wonder! zijne l(ieve) moeder werd hem vroeg
ontnomen en zijn vader is maar zelden met hem. Hij wil wel tot den
Heiland gaan die kinderen tot zich roept en ze zegent en doet het aarze-
lende maar denkt overal discipelen te zien die hem verhinderen en hem
vertellen dat andere kinderen zijn gemeend niet hij. Ja, hij moet dan ook
bekennen, hij is knorrig, onplezierig, kan er niet van onder uit komen en
toch daarbinnen klopt het hartje wel, al is er een ijskorst overheen schijn-
baar. Hij is als een zwak boompje dat verlangend uitziet naar een krachti-
gen steun. En toch ontevreden is hij juist niet want hij moet bekennen nogal
in een goed hoekje van den hof te staan. Hij wordt grooter, moet een keus
doen wat hij worden wil. Nu ja, wat zou hij? trotsch is hij niet, een hooge
post, eer en aanzien ambitionneert hij volstrekt niet, trouwens vader zou
het niet willen en deze met zijn krachtigen invloed heeft altijd machtig op
hem gewerkt en hem ook het geweten wakker gemaakt. Het beste na alles
te hebben overwogen is maar het Evangelie te gaan prediken in een land,
waar de zon altijd schijnt waar hij althans uitwendig door zen gloed zal
worden verwarmd, die hij inwendig mist; dit nu „tout bien considéré" is
toch maar het best. Dan kan ik zoolang als ik leef toch nog een beetje goed
doen en (denkt hij er heimelijk bij) kan ik misschien goedmaken wat ik
328
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's