Wetenschap en rekenschap - pagina 131
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE J U R I D I S C H E F A C U L T E I T (1880-1980)
van lichtvaardige oordelen binnen en buiten hun omgeving uitgesproken. Zij
hadden soms wat bijkomstig mocht heten, het gevoel dat voor iedere zwarigheid
een nieuwe onderscheiding werd aangebracht. Ook ontging hen soms het klem-
mende van het betoog. Zij achtten bedenkelijker dat theologie en gangbaar chris-
telijk denken nogal eens spoedig werden afgewezen vanwege hun hanteren van
niet-christelijke termen en ideeën, terwijl de daartegenover als onbetwijfelbaar
gepresenteerde waarheid en de als volstrekt juist verdedigde begrippen zich niet
door groter aanvaardbaarheid onderscheidden. Over de scheppingsorde, over de
kosmische tijdsorde, over de individualiteitsstructuren wist de vader van de wijs-
begeerte der wetsidee erg veel. Zijn tegenstelling tussen naïeve ervaring en theo-
retisch denken overtuigde niet geheel en af en toe moest zijn theoretische kijk op
de realiteit deze wat modelleren.
Wellicht dat op grond van dergelijke bezwaren bij Dooyeweerds oudere ambts-
genoten waardering bestond voor zijn inspanning, bewondering voor zijn ge-
leerdheid, maar van een wezenlijke bijval hunnerzijds niet kon worden gesproken.
Het was ook bij een aantal later opgetreden hoogleraren niet het geval, al naderde
Okma hem op enkele, S. Gerbrandy op meer punten, terwijl bij T.P. van der Kooy
althans van ruime reflectie bleek zonder dat hij veel verder ging. Met bijzondere
voldoening zag Dooyeweerd dan ook hoe een overtuigd aanhanger van zijn
wijsgerig stelsel — Van Eikema Hommes — hem als rechtswijsgeer opvolgde. Hij
wist tevens dat hij zijn voornemens bij de aanvang van zijn academische arbeid
gekoesterd op verrassende manier had waargemaakt. Niet enkel een calvinistische
rechtsencyclopedie — in dictaatvorm neergelegd — had hij geleverd, een niet
minder calvinistische algemene wijsbegeerte, evenals een rechts- en staatsleer
droegen dan toch zijn naam. Naar zijn besef had hij daarenboven steeds de band
met andersdenkenden vastgehouden, had hij gestaan in de grote geestelijke
denkgemeenschap van het Avondland.
4. OORLOGSDREIGING, OORLOG, BEVRIJDING
De in 1928 zijn inaugurele oratie over Strafbaarstelling van aanvalsoorlog uitspre-
kende V.H. Rutgers (1877-1945) was een universitati adscriptus, zoon van de
theologische hoogleraar F.L. Rutgers, die in 1880 zijn ambt aan de Vrije Univer-
siteit aanvaard had. Naar hij zelf uitsprak stond hij meer dan in figuurlijke zin in
de door zijn vader zoveel jaren gedragen toga. Hij was optredend als hoogleraar 50
jaar oud. Door hem waren talrijke publieke posities bekleed. Het professoraat zou
hij tot zijn dood vervullen. Van de hem opgedragen vakken romeins recht, straf-
recht en handelsrecht ging het laatste in 1930 over naar P.S. Gerbrandy. Uitwen-
dige rechtvaardiging van het ordinariaat vormde het beantwoorden in zijn stu-
dententijd van een romeinsrechtelijke prijsvraag. Geen zijner voorafgaande
127
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's