Wetenschap en rekenschap - pagina 307
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE AARDWETENSCHAPPEN AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
de kwantitatieve berekening meer op de voorgrond komt, een steeds belangrijker
rol gaat spelen in de beoefening van alle aardwetenschappen, de paleontologie
niet uitgezonderd. Deze ontwikkelingen hebben met zich meegebracht dat voor
elk kandidaatsexamen geologie dat aan de Vrije Universiteit wordt afgelegd,
wiskunde een verplicht bijvak is geworden en de nog in het Academisch Statuut
opgegeven combinaties voor dit examen zonder wiskunde niet meer worden toe-
gestaan. Als in zovele andere takken van wetenschap speelt dan ook in de aard-
wetenschappen de computer een steeds groter wordende rol en de „terminal" is,
nadat het aanvankelijk vrij lang heeft geduurd voor de aardwetenschappen een
noemenswaard aandeel in computertijd vroegen, in zeer korte tijd nu één van de
meest bezette instrumenten geworden.
Maar behalve deze meer algemene ontwikkelingen waaraan meer wetenschaps-
gebieden deel hadden, heeft met name de geologie, juist in deze twintig jaar een
spectaculaire, haast revolutionaire ontwikkeling doorgemaakt die wel met een
„paradigmatische" omwenteling (a la Kuhn) wordt vergeleken of geïdentificeerd
en waarop in onderwijs en onderzoek moest worden ingespeeld. Men spreekt zelfs
van een veranderd geologisch wereldbeeld, al is de verandering wel van een
andere orde dan rond de eeuwwisseling van de 18e naar de 19e eeuw via de strijd
tussen Neptunisten en Plutonisten tot stand kwam. We spreken daarom liever van
een nieuw geo-mechanisch model dan van een nieuw „paradigma", als men ten
minste het begrip paradigma zou willen beperken tot die fase in de ontwikkeling
van de geologische wetenschappen waarin methodologisch de grondslagen voor
de moderne geologie werden gelegd. Dit nieuwe model opent echter zonder twijfel
zeer ingrijpende nieuwe perspectieven voor oplossingen en veel nieuwe wegen
voor onderzoek, die de richting van de geologische wetenschapsbeoefening voor
vele decennia zullen bepalen en waarvan de consequenties nog lang niet overzien
kunnen worden.
Reeds uit de eerste decennia van deze eeuw dateerde Wegener's theorie van de
„Drift der Continenten", van het „uiteendrijven" van brokstukken van één oer-
continent als relatief lichte starre schollen in een plastisch zich gedragend zwaar-
der substratum. Heel veel geologische argumenten konden ten gunste van het
opbreken sinds het Jong Paleozoicum van één groot continent, „Pangea", worden
aangevoerd, maar de meeste geologen distancieerden zich van deze theorie omdat
Wegener's model (geo-) fysisch onaanvaardbaar was. Maar met name onder
invloed van de ontwikkelingen in de geofysica zelf, in het bijzonder die van het
magnetometrische (paleomagnetische) onderzoek, eerst op de continenten, maar
later vooral in dat deel van de aardkorst dat onder de oceaan ligt, de oceanische
korst, vond men in de loop van de jaren zestig de sleutel tot een geomechanisch
verantwoorde verklaring van het opbreken van continentale korstdelen en de
verplaatsing ten opzichte van elkaar over het aardoppervlak. Deze ontwikkeling
werd mogelijk doordat behalve via seismologische en gravimetrische methoden
met name in de magnetometrie een hulpmiddel werd gevonden om inzicht te
krijgen in de samenstelling, de bouw en de ontwikkeling van de oceanische korst.
301
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's