Wetenschap en rekenschap - pagina 579
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR FILOSOFIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
wijsgerige ethiek. Troost staat in de lijn van de eerder genoemde Geesink, althans
voorzover deze de traditionele protestantse theologische ethiek verbreedde en
verbond met antropologie, pedagogiek en psychologie; haar bovendien fundeerde
in het geloof aan „'s Heeren ordinantiën". Wat het laatste aangaat, Gods wet als
wetsorde voor heel de creatuur is ook voor Troost een onopgeefbare geloofson-
derstelling van de ethiek, voorzover deze de naam „christelijk" verdient.
In de uitwerking van deze ethiek heeft Troost zich nauw aangesloten bij Dooye-
weerd. Dat blijkt vooral in zijn dissertatie Casuïstiek en sitiiatie-ethiek (1958). De
gangbare onderscheiding van theologische en filosofische ethiek verwerpt hij hier,
onder meer omdat ze de mogelijkheid van een christelijke vakwetenschap (naast
de theologie) zou uitsluiten (CS 339, 351). Uitgaande van Dooyeweerds idee van
de verscheidenheid van „wetskringen", waaronder de ethische, zou de ethiek zijns
inziens eigenlijk georganiseerd dienen te worden als een afzonderlijke vakweten-
schap binnen een afzonderlijke faculteit, gericht op het morele aspect van de
naastenliefde (CS 341). Hoewel Troost aanvankelijk nogal aarzelend (CS 337), om
niet te zeggen afwijzend stond tegenover de ethiek in een ruimere zin van het
woord, bijvoorbeeld als een wetenschap van het menselijk handelen (CS 354),
heeft hij naderhand juist aan een dergelijk ethiek het volle pond gegeven door
naast de vakwetenschappelijke ethiek de wijsgerige ethiek naar voren te halen en
wel onder de naam van „praxeologie" (praxis-leer, inclusief handelingstheorie).
In deze praxeologie toont Troost het menselijk handelen in de concrete situatie als
opkomend uit de antropologische structuur van het menselijk lichaam, waarbij
deze lichamelijkheid zeer breed wordt opgevat. Troost ziet de fysisch-chemische
lichaamsstructuur van de mens namelijk als opgenomen in steeds hogere li-
chaamsstructuren; van het levend organisme, van het zintuigelijk gestructureerde
lijf, van de vrij handelende figuur. Zoiets kan men ook bij Dooyeweerd vinden. In
deze „brede lichamelijkheid" gaat vervolgens het hart schuil als het religieuze, dit
is op God betrokken centrum van heel het menselijk (lichamelijk) bestaan. Hoe-
wel Troost zich ook bezig houdt met concrete sociaal-ethische vraagstellingen,
bijvoorbeeld in Geen aardse macht begeren wij (1976), lijkt hij toch bij voorkeur te
opereren op dit moeilijk toegankelijke grensterrein van hart en handeling, van
religieuze gerichtheid en concrete lichamelijkheid.
Wat Troost in zijn (wijsgerige) ethiek, mij dunkt, wil laten zien is dit, dat gegeven
de complexe lichaamsbouw van de mens de weg van goddelijke Schrift naar
menselijke schrede, ik kan ook zeggen, de weg van religiositeit naar activiteit (ook
wetenschappelijke activiteit) veel langer is dan Kuyper met zijn rechtlijnige leer
van de religieuze antithese en Dooyeweerd met zijn meer genuanceerde theorie
van de religieuze grondmotieven konden klaren. De menselijke actstructuur is
ingewikkeld. De religieuze grondhouding zet zich allereerst om in een gemeen-
schappelijk ethos (waarin mentaliteit, motivatie en levens- en wereldbeschouwing
een grote rol spelen) en zet zich vervolgens vast in allerlei disposities van de mens
(karakter, aanleg, zeden en gewoonten), als kaders voor het concrete handelen.
Het is, dacht ik, duidelijk dat deze „ethologie" en „dispositieleer" allerlei interes-
573
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's