Wetenschap en rekenschap - pagina 72
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J VEENHOF
van alle dingen omvat, zoo moet ook de ambtelijke Bediening van dat Woord breed
en ruim de vleugelen uitslaan."'' Biesterveld betoogt dat de prediking heeft te
beantwoorden aan de eis der actualiteit. In de verkondiging moet uitkomen, dat
het Woord Gods een woord voor alle tijden, kringen en afzonderlijke personen is.
Zij moet op de situatie afgestemd zijn. ,,De grootste predikers aller tijden hebben
dit zóó goed begrepen, dat uit hunne prediking de historie der kerk zou kunnen
worden geteekend." In Amsterdam werkt hij zich vlug in de vakken van het
Nieuwe Testament in. Hoewel hij geen vakman op dit gebied was, toch betuigde
Geesink, dat hij de nieuw-testamentische vakken tot een hoogte wist op te voeren,
die zij vóór zijn komst nog niet hadden bereikt. " Van de vooronderstellingen en de
praktijk van zijn exegetisch werk geven enkele publicaties een duidelijk beeld.'*
Spoedig daarna, in 1904, kwam een benoeming tot stand, die er— zij het indirect —
toe bijdroeg om de leemte ten aanzien van het Oude Testament op te vullen, nl. die
van C.van Gelderen als lector in het hebreeuws en de bijbelse archeologie.
Van Gelderen (1871-1945) had in Kampen bij o.a. Bavinck en Biesterveld gestu-
deerd. Vervolgens was hij vooral op aandrang van Bavinck naar Duitsland ge-
trokken om zich toe te leggen op de studie der semietische talen. In 1902 promo-
veerde hij te Leipzig. Nauwelijks eenjaar na het begin van zijn lectoraat wordt hij
gewoon hoogleraar in de Semitische talen en letteren in de litteraire faculteit. In
1907 werd hij ook benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de theologische
faculteit, waarbij hem werd opgedragen de exegese van het Oude Testament
inclusief de canoniek, hermeneutiek en tekstkritiek."
Interessant is, hoe Van Gelderen in de beide oraties van 1904 en 1905 geheel
conform het concept van Kuyper poogt de encyclopedische plaats van de „ar-
chaeologia sacra" binnen de theologie te bepalen. In 1904 stelt hij aan de orde de
betekenis van het principium der theologie voor de archaeologia sacra. In de
uiteenzetting hierover treft ons de nadruk op de historische waarheid van hetgeen
de Schrift ons verhaalt. Het is dit accent op de historiciteit, dat als een rode draad
door een eeuw van gereformeerde exegese heenloopt.
„Wat door de Heilige Schrift als historisch wordt aangeboden moet door de
archaeologie als historisch worden aanvaard, — aan dien onverbiddelijken eisch
van het principium theologiae hebben we vast te houden.. "^'^
Van de nieuwere critici valt te leren. „In rijkbegaafde geesten als Kuenen en
anderen zullen we het werk van Gods gemeene gratie eerbiedig eeren. Nooit
wenschen we der waarheid geweld aan te doen door het oog te sluiten voor feiten,
die door hun onderzoek aan het licht zijn gebracht. Maar nimmer ook zullen we
voor die feiten eene verklaring toelaten, welke tegen ons beginsel indruischt. En
kunnen we dan onverhoopt aan de bezwaren geene betere oplossing geven dan
onze tegenstanders, zoo geven we er geene en laten in laatster instantie het ant-
woord over aan Christus onzen Koning, die Zichzelven de eere voorbehoudt om
ten jongsten dage in het gebouw der christelijke wetenschap den sluitsteen aan te
brengen"^' In deze laatste zin brengt Van Gelderen een stelregel onder woorden,
68
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's